Natuurbescherming, waarom?


Veel mensen maken zich zorgen dat de natuur wordt bedreigd. Dat oerwoud wordt gekapt, de zee verandert in plastic soep en diersoorten uitsterven. Maar waarom vinden we dat eigenlijk erg? Er zijn verschillende impliciete motivaties voor, die echter tot hele andere manieren kunnen leiden om de natuur te beschermen.

De natuur als doel op zich
Sommige mensen zien de waarde van de natuur in het grote, alles omspannende systeem. Zij willen de natuur zoveel mogelijk in haar oorspronkelijke staat behouden. De mens zou moeten fungeren als een onderdeel van het ecosysteem, en zoals alle organismen geven en nemen zonder het systeem zelf uit evenwicht te brengen. Mensen met deze opvatting hechten meer waarde aan een oerbos dan een door de mens aangelegd natuurgebied. Ze accepteren dat de natuur blind is voor de belangen van individuele dieren of mensen. Deze visie is vaak geworteld in een spiritueel gevoel dat alles met alles samenhangt en dat wij onlosmakelijk verbonden zijn met alles dat bestaat: de natuur of, zo je wilt, de kosmos. De mens staat niet boven de natuur, maar is er onderdeel van. Deze opvatting vertaalt zich in ontzag en respect voor de natuur zoals die is. En vanuit dat respect moet de mens de natuur niet verstoren, laat staan kapot maken.

Het gaat om het leven
Een visie die hier op het eerste gezicht op lijkt, is nadruk leggen op de waarde van leven. Mensen die deze overtuiging aanhangen, vinden echter niet zozeer de natuur als systeem van belang, maar in de eerste plaats de wezens die erin leven. Waarbij ‘hogere’ organismen, zoals zoogdieren vaak als waardevoller worden gezien dan bijvoorbeeld insecten of planten. Dit zijn de mensen die het eigenlijk niet over hun hart verkrijgen dat wilde paarden verhongeren in de Oostvaardersplassen, hoe ‘natuurlijk’ dat ook mag zijn. Maar die anderzijds niet wakker liggen van het uitsterven van onbekende plantensoorten. En voor wie er geen principieel verschil bestaat tussen ‘echte’ en gemaakte natuur. Waarom? Het antwoord is empathie. Vanuit de evolutie willen we niet alleen ons eigen belang dienen, maar ook dat van de groep. Daarom heeft de natuur ervoor gezorgd dat we ons kunnen inleven in de gevoelens van anderen. Niet alleen in die van mensen, maar ook in die van dieren waarvan we de emoties herkennen. Hoe minder we ons met een dier kunnen identificeren, hoe minder empathie we ervoor voelen. Hoe het met een vlieg gaat kan ons daarom eigenlijk niets schelen. Dat heeft niets te maken een objectief waardeverschil tussen het leven van een vlieg of dat van een paard. Het zegt alleen iets over onszelf.

Welzijn van de mens
Een derde benadering is om de natuur te willen beschermen omdat dat in het voordeel is van de mens. Een ecosysteem als de Amazone is een schatkamer van potentiële medicijnen. Overbevissing nu leidt tot honger straks. CO2-uitstoot brengt klimaatrisico’s met zich mee die de bestaanszekerheid van miljarden mensen bedreigen.  En daarom, zo vinden veel mensen, moeten we de natuur beschermen. Ons welzijn hangt ervan af. Vanuit menselijk nut bezien, is er echter niets tegen legbatterijen. En de wens om de groeiende wereldbevolking te voeden, kan een reden zijn om bos te veranderen in landbouwgrond. De mens is het doel, de natuur is een middel. En in die zin niet anders dan technologie.

Drie visies, drie motivaties om de natuur te beschermen. Vaak lopen ze door elkaar in de oordeelsvorming van mensen. Nu de impact van het menselijk handelen op de natuur echter groter wordt dan ooit (denk aan het klimaat, maar ook aan genetische manipulatie) kunnen de drie visies wel tot hele andere beslissingen leiden over hoe om te gaan met de natuur. Moet alles zoveel mogelijk ongerept worden gelaten, moeten we vooral rekening houden met nu levende dieren of moeten we kijken vanuit het menselijk belang? En als alle drie de visies relevant zijn, hoe komen we dan tot een balans? Zolang we niet goed weten WAAROM we de natuur willen beschermen, weten we eigenlijk ook niet goed HOE we dat moeten aanpakken…

Geloof dat we het kunnen


We leven in een angstige tijd. Mensen maken zich zorgen over het klimaat, wereldvrede, robotisering en zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat betekent het dat mensen bang zijn? Als je ergens bang voor bent, dan ren je weg, sta je als verlamd stil je of ga je vechten. Drie reacties die voortkomen uit de gedachte dat er gevaar dreigt. Dat er iets is dat sterker is dan jijzelf en dat jouw ontmoeting daarmee waarschijnlijk slecht afloopt. Deze gedachte bepaalt jouw emotionele reactie.

Maar je kan ook anders denken. Bijvoorbeeld dat er geen sprake is van gevaar, maar van een uitdaging waar we tegen opgewassen zijn. En dan reageer je anders. Je gaat oplossingen bedenken of dingen uitproberen. Klinkt beter, toch? Mensen waren vroeger doodsbang voor de bliksem, dat ze als een bovennatuurlijk verschijnsel beschouwden. Maar Benjamin Franklin had in 1752 het vertrouwen dat hij de bliksem kon begrijpen en in goede banen leiden. Wat hij vervolgens ook deed door de bliksemafleider uit te vinden.

Angst brengt het oplossen van onze problemen verder weg. Vertrouwen juist dichterbij. Hoe kunnen we dan vertrouwen vergroten en angst wegnemen? Mensen vinden onzekerheid en onduidelijkheid moeilijk. Ze zoeken houvast in een duidelijk verhaal over hoe de wereld in elkaar steekt en waar we heen gaan. Als er een inspirerend verhaal is van een Kennedy of een Mandela, dan geeft dat een heel land vertrouwen. Maar als zo’n verhaal er niet is, krijgt het angstverhaal van Trump een kans. Hoe we de toekomst zien, bepaalt hoe deze wordt. Laten we elkaar daarom vooral vertellen hoe we onze problemen op gaan lossen. Dan zouden we daar zomaar in kunnen slagen!

Hoe willen wij worden?

Wat voor soort mensen willen wij worden? Weten we eigenlijk wel wat wij willen? Die vragen gaan deze eeuw actueel worden als gevolg van de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie (KI) en biotechnologie. De eerste heeft de afgelopen jaren een enorm momentum gekregen. Naast universiteiten en geheime diensten, investeren ook grote IT-bedrijven als Alphabet, Facebook, IBM en Baidu miljarden dollars in wetenschappelijk onderzoek naar KI. Stephen Hawking, Bill Gates en Elon Musk zijn bang dat KI de menselijke intelligentie gaat inhalen en daardoor uiteindelijk een bedreiging voor ons vormt. Musk heeft onder het motto ‘if you can’t beat them, join them’ onlangs Neuralink opgericht, een bedrijf dat zich richt op het integreren van menselijke hersenen met KI. Neuralink is geen science fiction, een aantal basistechnieken voor de integratie van natuurlijke en machine-intelligentie bestaan al. Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld van buitenaf de hersenen van ratten aansturen. Aandoeningen als de ziekte van Parkinson, anorexia en depressie worden behandeld door elektroden in de hersenen te implanteren. Exoskeletten voor verlamde mensen kunnen via hersensignalen worden bestuurd. En neurowetenschappers kunnen het brein steeds beter in kaart brengen. Het is daarom aannemelijk dat we in de toekomst inderdaad een integratie zullen zien van mens en machine-intelligentie.

Tegelijkertijd maakt ook biotechnologie een stormachtige ontwikkeling door. We zijn niet alleen druk bezig om met behulp van genetische modificatie de menselijke gezondheid en prestaties te verbeteren, we kunnen ook steeds beter levende wezens ontwerpen en klonen. De opkomst van KI en biotechnologie betekent een nieuwe fase in de geschiedenis van de mensheid. Want nadat we eeuwenlang geprobeerd hebben het menselijk leven te veraangenamen door onze externe omgeving aan te passen, gaan we dat nu proberen door onszelf te optimaliseren.

Misschien vind je dit nog een beetje griezelig klinken en hoop je dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Maar ik kan me eerlijk gezegd geen realistisch scenario voorstellen waarin bovenstaande ontwikkelingen worden afgeremd of zelfs gestopt. En als straks de eerste genetisch geoptimaliseerde en met KI-geïntegreerde supermensen ontstaan, dan kan de rest uiteindelijk niet achterblijven. Dat is het oude ‘survival of the fittest’.

De vraag wordt daarom relevant hoe wij onszelf gaan optimaliseren: hoe willen wij worden? Wij moeten duidelijke instructies geven aan de ontwerpers van onze genen en onze machine-intelligentie. Want technologie heeft geen intrinsieke doelstelling, het functioneert slechts op basis van externe opdrachten. Dit lijkt misschien triviaal, maar dat is het niet. Laten we eens kijken naar drie verschillende scenario’s: we geven de technologie geen instructies mee, we geven instructies die slechts ten dele kloppen en de technologie doet precies wat wij willen.

Stel dat wij nalaten om aan te geven wat KI en biotechnologie voor ons moeten doen, wat gebeurt er dan? In dat geval zal de technologie waarschijnlijk gericht blijven op de dingen waarvoor ze nu al wordt ingezet: het optimaliseren van economische vraagstukken, het verbeteren van onze gezondheid en prestaties en het verlengen van onze levensduur. Dat zijn op zich hele valide doelstellingen, maar ze zijn wel een beetje eenzijdig. Want hoeveel aandacht blijft er over voor alle andere behoeftes die wij hebben? Heeft biotechnologie wel oog voor de waarde van verschillen tussen mensen en van ogenschijnlijke imperfecties? Of gaat het uitsluitend designer baby’s creëren conform ‘best practice’? En hoe zit het met rechtvaardigheid, sociaal contact en plezier, hecht onze geïntegreerde machine-intelligentie daar wel belang aan? De natuurlijke kant van de mens evolueert slechts zeer langzaam, terwijl de technologie dat in een razend tempo doet. Daardoor lopen we de kans dat we steeds minder mens en steeds meer machine worden. Een soort onverwoestbare supermachine die uiterst doelgericht en efficiënt werkt. Van een mooie lentedag zullen we dan waarschijnlijk niet meer genieten. Emoties staan onze rationele doelen immers vaak in de weg. Het bestaan wordt zo misschien perfect, maar tegelijk zinloos.

Wij kunnen dit scenario voorkomen als we dat willen. Want wij zijn de klanten van de ondernemers die KI ontwikkelen en de financiers van de biotechnologen aan de universiteit. Maar dan zullen wij hen wel duidelijke instructies moeten geven over wat wij met hun technologie willen bereiken. Maar dat weten we helaas nauwelijks zelf. De drijfveren van de mens (behoeften, voorkeuren, normen & waarden, angsten) zijn in miljoenen jaren van evolutie ontwikkeld. Vaak manifesteren ze zich als instinctieve reflexen of onbewuste emoties. Onze drijfveren zijn ooit ontstaan omdat ze nuttig waren voor ons voortbestaan. Sommige zijn dat nog steeds, andere zijn dat inmiddels niet meer. Samen vormen onze drijfveren een uiterst complex geheel, samenhangend en soms tegenstrijdig. Waarvan we veel baat hebben, maar soms ook last. Bijvoorbeeld wanneer we met onze onzekerheid bij de psycholoog zitten. Onze kennis over wat wij diep van binnen willen, is op dit moment globaal, fragmentarisch en in belangrijke mate speculatief. We weten bijvoorbeeld niet eens precies wat emoties zijn. Er wordt veel onderzoek gedaan, er is zeker sprake van vooruitgang, maar we zijn er nog lang niet.

Wat zou er gebeuren als we op basis van de huidige beperkte kennis over onze drijfveren een instructie zouden opstellen als input voor machine-intelligentie en genetische modificatie? De kans is groot dat de zorgvuldig door de evolutie gecreëerde balans van krachten en tegenkrachten uit het lood raakt. Dat bepaalde drijfveren (nieuwsgierigheid?) de bovenhand krijgen ten opzichte van andere (voorzichtigheid?). En dat er zo een soort Jenga-effect optreedt: als je lukraak wat balkjes wegtrekt, zakt het hele bouwwerk in elkaar. Dat risico is natuurlijk nog groter als we er zelf voor kiezen om sommige ‘onwenselijke’ drijfveren of emoties te elimineren, zonder dat we precies begrijpen wat de functie ervan is in het grotere geheel. Jaloezie bijvoorbeeld, of verveling.

Tot slot moeten we de mogelijkheid onder ogen zien dat we succesvol zijn. Stel dat we toch in staat zijn aan onze machine-intelligentie en de biotechnologen uit te leggen wat we diep van binnen willen (bijvoorbeeld doordat KI al onze gedachten en gevoelens weet uit te lezen), wat gebeurt er dan? De technologie gaat aan de slag om het ons naar de zin te maken. Verdriet verdwijnt, evenals angst, onrecht en lelijkheid. Alles wordt mooi en goed. Maar hebben wij dan ons doel bereikt? Of zouden we merken dat we vooral gelukkig worden van het proces van behoeftevervulling, niet van een situatie waarin onze behoeftes al vervuld zijn? Onvervulde behoeftes drijven ons en geven zin aan ons leven. Het leven in een perfecte wereld zou wel eens behoorlijk deprimerend kunnen blijken. Zonder lelijk verliest mooi zijn betekenis, zonder ongeluk is geluk een leeg begrip, zonder slecht is er geen goed, zonder angst is er geen hoop. Zonder negatieve ervaringen is er geen zin van het leven. Als we dit willen voorkomen, moeten we onze instructie aan de technologie slim aanpassen.

Het stellen van de goede vraag is net zo belangrijk, en vaak net zo moeilijk, als het geven van het juiste antwoord. Onze kennis (straks geholpen door geïntegreerde machine-intelligentie) ontwikkelt zich stormachtig, met het kunnen geven van antwoorden zijn we daarom aardig op weg. Maar we hebben nog te weinig idee wat we aan de nieuwe technologie willen vragen. Voordat we hierover keuzes maken, hebben we eerst meer zelfkennis nodig. Niet op individueel niveau, maar op het niveau van de menselijke soort. We moeten de werking van onze drijfveren begrijpen en zodanig concreet beschrijven dat we ze kunnen uploaden als input voor onze toekomstige machine-intelligentie. ‘Wat wil ik eigenlijk?’ was altijd al een vraag die individuele mensen bezig hield. Als mensheid moeten we ons die vraag nu ook gaan stellen.

Toekomstles op school


Er is sprake van een groeiende mismatch tussen wat afgestudeerden met een universitair of HBO-diploma kunnen en waar de arbeidsmarkt behoefte aan heeft. Dat uit zich enerzijds in talentvolle jongeren die ver onder hun niveau werken en anderzijds in vacatures die bijna niet te vervullen zijn (vind bijvoorbeeld maar eens een jonge data analist met kennis van machine learning). Het maken van een goede studiekeuze is dus erg belangrijk. Middelbare scholieren moeten alleen niet teveel luisteren naar wat onderwijsinstellingen zeggen over het arbeidsmarktperspectief van een studie. Die hebben immers direct belang bij het aantrekken van grote aantallen studenten. Maar wat er na het afstuderen gebeurt, is niet hun probleem. Scholieren kunnen beter zelf de verantwoordelijkheid nemen om een onderbouwde keuze te maken.

Daar moeten ze echter wel bij worden geholpen. Want het is niet alleen in het belang van de jongeren zelf, maar ook van de maatschappij dat zij leren na te denken over de toekomst. Een opleiding is immers een investering voor de wereld van morgen. Natuurlijk weten we niet zeker hoe de toekomst eruit ziet. Maar het is ook niet zo dat we helemaal niets weten. Er zijn trends die we zonder al te veel risico kunnen extrapoleren, bijvoorbeeld dat de vraag naar data analisten zal blijven toenemen. We weten van sommige beroepen (bijvoorbeeld in de bouw) dat de vraag conjunctuurgevoelig is. Dat betekent dat je je niet moet blindstaren op een arbeidsmarkt die heel krap of heel ruim is op het moment dat je je aanmeldt voor een studie. En tot slot zijn er beroepen waarvan vrij algemeen wordt verwacht dat de vraag op termijn af zal nemen als gevolg van technologische ontwikkelingen. Belastingadviseur wordt bijvoorbeeld genoemd als een beroep waarvoor aanzienlijk minder werk zal zijn als kunstmatige intelligentie haar belofte inlost.

Wanneer je als middelbare scholier (aankomend student) hebt geleerd om te denken in trends en toekomstscenario’s, kan je beter inschatten wat de kans is op een baan (of een eigen bedrijf) na afstuderen. En door met de toekomst bezig te zijn, loop je vanzelf tegen de vraag aan wat je vindt van de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen die om ons heen plaatsvinden. Wat zie je als een kans, waar maak je je zorgen over? Daarover nadenken helpt om nog beter te weten wat je wilt. Met die gecombineerde inzichten ben je beter in staat om een onderbouwde studiekeuze te maken. Toekomstdenken zou, kortom, een vaste plek op het rooster van de middelbare school moeten krijgen!

Het voordeel van startups

Waarom zijn het bijna altijd nieuwe bedrijven, startups dus, die marktleider worden met een nieuw business model? Denk bijvoorbeeld aan Facebook, Youtube, Tesla of AirBnB. Waarom komen bestaande bedrijven nooit met dat soort grote innovaties?

De reden is dat startups weinig te verliezen hebben. Als ze slagen is dat fantastisch, maar als ze mislukken (en dat gebeurt meestal) dan is het verlies beperkt. Een startup is in hoge mate een gok. Want een goed idee en een perfecte implementatie zijn niet genoeg. Je bent er ook van afhankelijk of en hoe snel klanten je propositie weten te waarderen en wat de concurrentie doet. Een beetje geluk is onmisbaar. In die zin is een startup een beetje zoals een lot uit de loterij: er staat weinig op het spel, het risico is hoog maar er is ook kans op een hele hoge opbrengst.

Bestaande bedrijven kunnen het zich niet veroorloven om aan zo’n loterij mee te doen. Want er staat bij hen wel veel op het spel: arbeidsplaatsen en geïnvesteerd vermogen. Bestaande bedrijven nemen weinig risico omdat ze veel te verliezen hebben. Het vol inzetten op een nieuw business model is een hoog risico en daarom gebeurt dit negen van de tien keer door startups.

Ondernemingen die dit begrijpen proberen aan de randen van het moederbedrijf startup initiatieven te ontwikkelen. Daar kunnen interessante dingen uitkomen, maar het is de vraag wat je daar vervolgens mee doet. Als je een succesvolle startup in het moederbedrijf wil integeren om dat te ‘verjongen’ en innovatiever te maken, dan is dat vrijwel altijd zonde van de moeite. De cultuur en de op planning & control gerichte management processen van het grotere moederbedrijf zullen de innovatieve startup al snel dooddrukken. En het vernieuwende business model gaat ten onder in compromissen.

Wat wel kan werken is de succesvolle startup zelfstandig te laten bestaan en alle ruimte te geven om te groeien (met gebruikmaking van een aantal voordelen van het moederbedrijf, zoals een bekende en vertrouwde merknaam). Zodra je ziet dat het nieuwe bedrijf meer business potentieel heeft dan de oude business dan kan je deze laatste afstoten, waardoor je alle beschikbare middelen vrijmaakt voor de nieuwe kernactiviteit. IBM is een mooi voorbeeld. In 2004 verbaasde het de wereld door haar omvangrijke PC business (jarenlang de kernactiviteit van het bedrijf) te verkopen aan Lenovo. In plaats daarvan focust IBM nu op dienstverlening, met het kunstmatige intelligentie platform Watson als vlaggenschip. Waarmee IBM meer dan honderd jaar na haar oprichting met een compleet vernieuwd business model nog steeds voorop loopt in de wereld. Een radicale aanpak met grote consequenties voor de interne organisatie. Maar beter dat dan wachten tot een startup van buiten jouw hele bedrijf overbodig maakt.

Creatief werk is om te delen

Bedrijven vechten elkaar de tent uit over vermeende schendingen van patenten. Auteursrechtenorganisaties willen iedereen aanpakken die zonder te betalen films en muziek downloadt. Tegelijk is het door internet steeds gemakkelijker geworden om beelden, geluid, software, ontwerpen, ideeën en wetenschappelijke inzichten te kopiëren en distribueren. En bouwt onze creativiteit steeds meer voort op de creativiteit van anderen. Door het gebruik van muzieksamples, het bewerken van foto’s of het doorontwikkelen van een wetenschappelijk inzicht. Andy Warhol is er zelfs een hele nieuwe kunststroming mee begonnen. Ook veel mensen en bedrijven die intellectueel eigendom claimen, hadden hun creaties nooit kunnen maken zonder zelf voort te borduren op het werk van voorgangers.

Intellectueel eigendom van een niet-fysieke creatie is minder vanzelfsprekend dan het eigendom van een telefoon, auto of huis. Want niet-fysieke dingen kan je kosteloos kopiëren. Iemand anders kan het ook gebruiken zonder dat jij het kwijtraakt. Fantastisch toch? Is er dan eigenlijk wel sprake van een belangentegenstelling tussen de maker en de kopieerder of gebruiker? Volgens de wet wel. Bescherming van intellectueel eigendom (copyright, patenten, auteursrecht) is in de achttiende en negentiende eeuw ontstaan met als doel creatief werk te bevorderen door de makers ervan een garantie te geven dat zij ervan kunnen profiteren. Niet omdat de wetgevers hen per se wilden helpen om rijk te worden. Het doel van deze wetten was om de productie van creatief werk te stimuleren, in het belang van de samenleving.

Het is echter sterk de vraag of deze wetgeving uit de negentiende eeuw nog steeds de beste oplossing vormt voor de eenentwintigste eeuw waarin we nu leven. Ik denk dat de doorontwikkeling en verbetering van creatief werk er nodeloos door wordt belemmerd. Er zijn bovendien inmiddels mogelijkheden denkbaar om creatief werk gratis ter beschikking te stellen, maar er toch aan te verdienen. In de software en entertainment wereld zijn daarvan genoeg voorbeelden. En tot slot hebben mensen lang niet altijd een financiële motivatie nodig om nieuwe dingen te bedenken. Sommige activiteiten die nu in het commerciële domein plaatsvinden zouden ook in het privédomein of in het publieke domein kunnen gebeuren. We moeten door gevestigde belangen heen durven prikken om wetten aan te passen aan de wereld van nu.

De uitdagingen van directe democratie

Ik moet iets bekennen: ik geloofde in directe democratie. Mijn beeld was dat de afstand tussen politiek en burger te groot is geworden. En dat internet en mobiel prima mogelijkheden bieden om via online polls de burger direct in de politieke besluitvorming te laten participeren. Waardoor de betrokkenheid bij wat er in de maatschappij gebeurt, vergroot wordt.

Dat idee heb ik een paar jaar geleden met een groot aantal mensen besproken. Maar dan moet je toch concluderen dat directe democratie lastiger is dan het op het eerste gezicht lijkt. Wat zijn de belangrijkste complicaties:

  • Wie formuleert de vragen die aan de kiezers worden voorgelegd? Want hoe de vraag wordt geformuleerd, bepaalt in hoge mate het antwoord.
  • Politiek gaat niet alleen over stemmen, maar ook over het formuleren van voorstellen, onderhandelen en het zoeken van compromissen. Hoe organiseer je dat in een online poll?
  • Lang niet iedereen heeft de kennis om de gevolgen van bepaalde keuzes te overzien. Of tijd en zin om zich in een onderwerp te verdiepen.
  • Er staan altijd heel veel onderwerpen op de politieke agenda. Die allemaal voorleggen aan de burger zou tot een overkill aan vragen leiden.
  • Mensen gaan misschien alleen stemmen over onderwerpen die hun eigen belang direct raken. Als het over landbouw gaat, stemmen alleen de boeren; als het over pensioenen gaat, stemmen alleen de gepensioneerden. Waardoor elke minderheid z’n zin krijgt, maar de totale uitkomst verre van optimaal is voor de samenleving als geheel.
  • Politiek is meer dan de optelsom van een aantal losse beslissingen. Er is ook een overkoepelende visie nodig over hoe het verder moet met de wereld, met een zekere continuïteit in de uitvoering ervan. Als die ontbreekt, krijg je al snel opportunistische en niet-consistente beslissingen (de uitgaven moeten omhoog, maar de belastingen moeten omlaag). Of een zig-zag beleid, waarbij de prioriteiten steeds veranderen.
  • Kiezers stemmen soms met de onderbuik, vanuit emoties als boosheid, jaloezie en frustratie. Dat leidt waarschijnlijk niet tot de meest verstandige beslissingen. Beroepspolitici kunnen hier wellicht beter mee omgaan.

Maar toch. Eigenlijk geloof ik nog steeds dat onze democratie beter kan door slim gebruik te maken van online middelen. Maar de manier waarop is niet zo eenvoudig. Soms is de vraag hoe we technologie het beste kunnen inzetten nog ingewikkelder dan het bedenken van de technologie zelf. Creatieve suggesties welkom!

Hoger onderwijs voor de toekomst

De manier waarop we jongvolwassenen onderwijs geven is vrijwel hetzelfde als 30 jaar geleden. En dat is gek, want er is inmiddels veel veranderd. Bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt, het uiteindelijke doel van hoger onderwijs. Door de steeds snellere technologische ontwikkeling veranderen sommige beroepen onherkenbaar (agrariër?), andere verdwijnen zelfs helemaal (administratief medewerker?). En nieuwe beroepen ontstaan, met specifieke eisen aan kennis en vaardigheden (robot trainer?).

Onderwijsinstellingen richten zich op de arbeidsvraag zoals die nu is. Dat is echter niet goed genoeg. Een opleiding kost gemiddeld een jaar of vijf, we zouden studenten daarom minimaal kennis en vaardigheden moeten meegeven die op het moment van hun afstuderen relevant zijn. En eigenlijk is een horizon van vijf jaar nog veel te kort, een opleiding is immers een investering voor de middellange termijn. Vijftien jaar lijkt daarom reëler. En als we kijken naar de wereld in 2032, hoe houden we dan vandaag in ons onderwijs aan studenten accountancy of notariaat rekening met de opkomst van de blockchain? Heeft het nog zin marketingstudenten te onderwijzen in de traditionele 4 P’s, die niet passen bij online business (het schijnt nog steeds te gebeuren)?

Het alternatief, een toekomstgericht onderwijsaanbod, is niet eenvoudig. Het vraagt om visie en het vermogen om snel op nieuwe inzichten in te spelen. Dat laatste vinden veel onderwijsinstellingen lastig. Het kost in de huidige manier van werken veel tijd om een nieuwe opleiding te ontwikkelen of een bestaande aan te passen. Het bedrijfsleven is de afgelopen decennia afgestapt van ‘alles zelf doen’ naar slim uitbesteden en assembleren. Veel onderwijsinstellingen zitten echter nog op het productiemodel van de vorige eeuw en dat is niet handig. Je kan immers niet overal de beste in zijn. Het zou bijvoorbeeld zomaar kunnen dat Stanford of MIT beter studiemateriaal hebben ontwikkeld op het gebied van data modellering. Instellingen zouden slim gebruik moeten maken van door anderen ontwikkelde (online) opleidingsmodules, bijvoorbeeld de bekende MOOC’s, en die aanvullen met offline begeleiding en zelf ontwikkelde vakken en casestudies. Op die manier zou veel sneller een opleiding samengesteld kunnen worden. Financieel kan het interessant zijn om aan de andere kant zelf ontwikkelde content (online colleges en ondersteunende materialen, examenvragen, cases, databestanden) aan te bieden aan andere instellingen. Een dergelijke marktplaats voor educatieve content leidt tot hogere kwaliteit en lagere kosten dan wanneer alles zelf wordt gemaakt. En maakt het ook nog eens gemakkelijker om maatwerk opleidingen te leveren voor mensen met een specifiekere behoefte dan die van de gemiddelde student van 18 jaar oud. Het model van ‘kennis opdoen tot je 25e, kennis toepassen tot je 65e’ is achterhaald. Waarom spelen onderwijsinstellingen geen grotere rol in het bijscholen van mensen met werkervaring?

Onderwijs moet bij uitstek toekomst-georiënteerd zijn. En dat vraagt om innovatie in het ontwikkelen van de leerstof. Een uitdaging, maar ook een mooie kans om je als onderwijsinstelling te onderscheiden van de rest!

Privacy = vrijheid

Stel je voor dat er organisaties zijn die alles van je weten, wat zou dat betekenen? Heel veel, waarschijnlijk. Ten eerste zal je je kwetsbaar voelen. Alsof je naakt bent in een wereld waarin alle andere mensen kleren aan hebben (ze kennen jou wel, maar je kent hen niet). Nul procent privacy gaat echter verder dan alleen een onzeker gevoel. Het leidt ook tot een fundamentele verandering in je leven. Want als anderen (bedrijven, overheden) dingen van je weten, dan doen ze iets met die kennis: ze zullen je proberen te beïnvloeden. Subtiel, zonder dat je het in de gaten hebt. En op juist die manieren waarvoor je het meest gevoelig bent (want ook dat weten ze van je). Net zo lang tot je doet wat ‘men’ wil. Zonder privacy heb je geen vrije wil meer maar ben je een soort marionet die door anderen wordt bestuurd.

Het slechte nieuws is, het gaat langzaam maar zeker die kant uit. Ons leven speelt zich steeds meer online af. Onze online activiteit wordt vrijwel allemaal gevolgd en vervolgens gecombineerd met informatie uit databases waarvan jij het bestaan misschien niet eens kent. En straks wordt er aan onze online data ook nog eens data vanuit de fysieke wereld toegevoegd, nu steeds meer dingen (auto’s, energiemeters, speelgoed etc. etc.) aan het internet worden gekoppeld.

Dat heeft allemaal veel voordelen. We staan online data af omdat we daarmee betere en goedkopere (soms zelfs gratis) service krijgen dan in de fysieke wereld en het ‘internet of things’ zorgt voor gemak en nieuwe ervaringen.

Maar de prijs die we betalen is onze privacy en – uiteindelijk – onze vrijheid om zelf beslissingen te nemen. Want denk jij dat je op die hotelsite zelf je keuze hebt bepaald? Of werd je subtiel verleid om te boeken door de uitgebreid op commerciële effectiviteit geteste manier waarop de webpagina is opgebouwd (reviews boven, prijs links, korting daarnaast, reserveringsknop daaronder) en urgentie-verhogende boodschappen als ‘nog 2 beschikbaar’ en ’10 anderen zijn dit ook aan het bekijken’?

Natuurlijk is reclame er altijd al op gericht geweest om ons te verleiden en ons gedrag te beïnvloeden. Maar in het verleden waren de boodschappen op de massa gericht. Omdat ze nooit helemaal aansloten op individuele behoeften en drijfveren, waren ze niet zo effectief als de huidige manieren van 1:1 beïnvloeding. Bovendien was reclame herkenbaar als reclame. Omdat reclame beperkt effectief was, was er sprake van een balans. Consumenten voelden de verleiding de nieuwe TV te kopen waarvoor geadverteerd werd, maar konden zelf de afweging maken of ze meteen naar de winkel renden of toch liever geld bleven sparen voor de studie van de kinderen. Nu reclame onzichtbaar en super-effectief wordt (want geoptimaliseerd op individueel niveau), is het veel moeilijker om weerstand te bieden aan de voorgeschotelde verleidingen. En wordt de kans groter dat je keuzes maakt die meer in het voordeel zijn van de organisatie achter de website dan van jezelf.

Data delen over jezelf is een normaal onderdeel van het sociale verkeer. Maar er moet wel sprake zijn van soort machtsbalans. In het verleden werd die geborgd door het feit dat aanbieders niet alles van ons wisten. Nu organisaties bijna alles van ons weten, lopen we het risico om marionetten te worden. Laten we onze privacy daarom koesteren. Het gaat om onze vrijheid.

Het einde van landen


Had Máxima toch gelijk toen ze zei dat de Nederlandse identiteit niet bestaat? Over nationaliteit wordt soms gedaan alsof het iets vanzelfsprekends, iets onaantastbaars is. Maar dat is niet zo. Driehonderd jaar geleden was er nog nauwelijks besef van nationale identiteit. En op dit moment is het volgens mij alweer op z’n retour.

Eeuwenlang had men vooral een band met mensen met dezelfde taal en cultuur. Als je elkaar verstaat en begrijpt, dan heb je immers sneller onderling vertrouwen. Taal en cultuur waren gebonden aan de plek waar je woonde. Mensen waren namelijk niet mobiel (reizen was niet eenvoudig), waardoor regionale verschillen in stand bleven. Natuurlijk waren er overkoepelende politieke organisatievormen. Maar dat waren niet zozeer landen, als wel vorstendommen. Vaak bestonden die uit veel verschillende soorten gebieden en soms werden ze (door oorlogen of huwelijken) gesplitst of juist samengevoegd.

Rond het jaar 1800, in de tijd van revoluties en onafhankelijkheidsstrijd, veranderde dat. Vorsten waren niet langer het vanzelfsprekende bindmiddel en er ontstonden soms grote politieke verschillen tussen het ene land en het andere. De grenzen tussen landen werden scherper afgebakend. Tegelijk nam ook de mobiliteit tussen regio’s toe, waardoor binnen een land de taal en de cultuur uniformer werden. Nationaal bewustzijn was het gevolg.

Nu zien we echter het begin van weer een nieuwe fase. De mobiliteit is verder toegenomen, nu ook internationaal. Mensen, rijk en arm, migreren voor werk. Anderen zoeken als vluchteling onderdak in het buitenland. Via Skype of social media is het eenvoudig om contacten te onderhouden met kennissen die ver weg wonen. Menselijke netwerken worden daardoor virtueler en minder gebonden aan een bepaalde plek. De cultuur binnen de grenzen van een land wordt als gevolg van die ontwikkelingen minder uniform. Terwijl tegelijkertijd internationale culturele verschillen juist afnemen en taal steeds minder een barrière vormt.

Het idee van een land en een nationaal gevoel zijn geen absolute noodzaak. Zij hebben vandaag de dag nog steeds een functie, maar de context verandert. Natuurlijk blijven regels en organisatie nodig om het samenleven van mensen in goede banen te leiden. Maar dat samenleven heeft steeds minder te maken met de plek waar wij wonen. Het lijkt tijd om na te denken over hoe we een wereld zouden organiseren zonder landen.