Schuld en boete


Hebben robots rechten? Nee, zal je waarschijnlijk zeggen. Maar waarom eigenlijk niet? Stel je een robot voor die intelligent en sociaal is, bijna een mens (ik geef toe, daar moet nog wel wat voor gebeuren). Omdat hij (of moet ik zeggen ‘het’) soms in situaties verzeild raakt waarin mensen zijn veiligheid bedreigen, vraagt de robot om dezelfde bescherming van de politie en het rechtssysteem als mensen hebben. Is dat redelijk?

Ik denk van niet. Want rechten bestaan niet zonder plichten. Als iedereen rechten heeft maar niemand plichten, dan stellen die rechten in de praktijk niets voor. Maar plichten moeten afdwingbaar zijn. Als ik plichten heb, maar niemand kan mij eraan houden, dan zijn het geen echte plichten. Concreet: bij plichten horen straffen. En, om de gedachtenlijn af te maken, bij straffen hoort dat je daar onder lijdt. Boetes en gevangenisstraffen zijn effectief omdat we daar niet van houden en ze willen vermijden. Maar zou het een robot wat kunnen schelen? Vermoedelijk niet. Als een robot niet lijdt onder straf, dan kan hij geen plichten hebben. En dus ook geen rechten.

Waarschijnlijk zijn we het hier snel over eens. Maar nu wordt de vraag ingewikkelder. Hoe zit het met mensen die niet kunnen lijden? Een vraag die bij mij opkwam toen ik laatst hoorde dat jonge criminelen vaak weinig cortisol (stress hormoon) hebben, waardoor ze minder gevoelig zijn voor straf. Wat moet je hiermee? Hebben deze mensen dan nog rechten? Kan je ze dwingen om hun hormoonhuishouding aan te passen? En hoe zit het met het risico dat mensen bewust kiezen voor een laag niveau van cortisol, omdat ze daardoor minder lijden en dus eigenlijk gelukkiger zijn? Het reguleren van je hormoonhuishouding is niet heel bijzonder meer.

Het verschil tussen mens en robot is misschien minder groot dan het lijkt.

Het probleem van vooruitgang

Wat was het probleem met de Franse Revolutie? Niet dat de Fransen meer vrijheid, gelijkheid en broederschap wilden. Dat idee was goed. Het probleem was alleen dat de verandering van oud naar nieuw met veel ellende gepaard ging.

En dat is vaak zo met revoluties, ook met de technologierevolutie waar we midden in zitten. De richting is waarschijnlijk goed, maar de verandering doet pijn. Veel pijn soms.

Als gevolg van de vooruitgang komen nieuwe dingen in de plaats van oude. Maar als de verandering snel gaat, hebben de mensen die in het oude model zijn opgegroeid nauwelijks tijd om zich aan te passen. De verandering overvalt hen. Bijvoorbeeld taxichauffeurs die te maken hebben met concurrentie van Über. Mensen die zijn opgeleid voor een beroep dat niet langer relevant is, zoals adviseur bij een reisbureau. Maar ook ouderen die veel meer dan vroeger dingen zelf moeten regelen, en dan ook nog eens online. Al deze mensen ondervinden vooral de nadelen van de technologische vooruitgang. En naarmate de verandering sneller gaat, wordt de benadeelde groep groter.

Verandering leidt tot frictie. Aan de ene kant zitten er mensen thuis met kennis en vaardigheden waar geen vraag meer naar is, aan de andere kant zijn er vacatures voor mensen met nieuwe kennis en vaardigheden. Aan de ene kant zijn er mogelijkheden om online alles sneller en beter te regelen dan vroeger. Aan de andere kant zijn er mensen die nog niet zo handig zijn met computers en het liefste een brief zouden willen sturen.

Hoe sneller de verandering, hoe groter deze mismatch. En de groep mensen die zich machteloos voelen, die de grip op hun leven kwijt zijn. In hun boosheid stemmen deze mensen niet meer op traditionele politieke partijen, maar op populistische alternatieven. In zowel de VS als in West-Europa staat de sociale harmonie onder druk. Ik denk dat de mismatch zich deze keer niet vanzelf oplost. Daarom moeten we nadenken over hoe we de mensen die buiten de boot dreigen te vallen kunnen helpen. Met extra opleidingsfaciliteiten, praktische hulp en financiële ondersteuning. Of door de vooruitgang op specifieke gebieden af te remmen en te reguleren. Want het alternatief is sociale spanning en onrust. En daar is ook de vooruitgang niet bij gebaat.

Science fiction of trend watching?


We kunnen het weer van overmorgen goed voorspellen, maar over het weer van volgende maand hebben we geen idee. Er zijn teveel factoren die dat beïnvloeden. Net zo is het met de toekomst. Over hoe de wereld volgend jaar of zelfs de komende drie jaar gaat veranderen kunnen we nog wel iets zinnigs zeggen. Simpel gezegd is dat een kwestie van extrapoleren, het doortrekken van trends die nu al in de kiem aanwezig zijn. Bijvoorbeeld door het voorspellen van groei van relatief nieuwe technologieën, business modellen en consumentengedrag. Dit is wat futurologen en trendwatchers doen.

Maar waar gaat het over de wat langere termijn heen, zeg over tien tot twintig jaar? Voor beleidsmakers en bedrijven die grote investeringen doen een belangrijke vraag. Doortrekken van wat er nu al bestaat, is dan niet genoeg. Er zijn teveel onzekere factoren die impact hebben op wetenschap, technologie en maatschappij. Extrapolatie heeft in het verleden vaak tot achteraf lachwekkende resultaten geleid. Bijvoorbeeld het beroemde “I think there is a world market for maybe five computers” van IBM-president Thomas J. Watson (1943).

Maar laten we ook even kritisch kijken naar de toekomstvoorspellingen die we nu zelf maken. Bijvoorbeeld het algemene geloof dat we straks allemaal gebruik maken van zelfrijdende auto’s. Dit idee is nu zo vanzelfsprekend dat we bijna vergeten dat we er niet zo lang geleden nog van overtuigd waren dat de toekomst van mobiliteit gelegen was in een soort trein van auto’s om het asfalt van de snelweg optimaal te benutten. We moeten daarom niet uitsluiten dat we over tien jaar weer zijn afgestapt van het idee van een zelfrijdende auto. Misschien willen we in de toekomst wel helemaal niet meer (fysiek) reizen, maar blijven we thuis en bewegen we ons vooral door een virtuele werkelijkheid. We moeten in elk geval verder kijken dan de laatste techniek van dit moment.

Maar hoe doen we dat? Science fiction kan ons helpen. Ik denk bijvoorbeeld aan Jules Verne met zijn visionaire boek ‘Van de aarde naar de maan’ uit 1865, 104 jaar voordat de eerste maanreis realiteit werd. Ik denk aan Aldous Huxley’s verbazingwekkende ‘Brave New World’ uit 1932, waarin veel van onze moderne maatschappelijke dilemma’s worden beschreven. Ik denk aan Stanley Kubric’s film ‘2001: A Space Odyssey’ uit 1968, waarin de mogelijkheden en gevaren van kunstmatige intelligentie naar voren komen. Ik denk aan The Matrix van de Wachowski broers (tegenwoordig broer en zus) uit 1999, dat een verbijsterend beeld schetst van Virtual Reality. En aan Minority Report (2002) van Steven Spielberg, dat een toekomst met data profiling en predictive analytics laat zien.

Deze voorbeelden van science fiction gaven onze voorouders een beter idee van de verre toekomst dan serieuze voorspellingen van futurologen of trendwatchers.

Hoe deden Verne, Huxley en anderen dat? In de eerste plaats omdat zij zich lieten leiden door creativiteit in plaats van waarnemingen of logica. Zij durfden verder te gaan omdat zij niet pretendeerden een echte voorspelling te doen. Ze wilden alleen een mogelijke toekomst laten zien, gebaseerd op menselijke drijfveren of dromen.

De vraag is ook waarom we willen weten waar het in de toekomst heen gaat. Als het ons erom gaat de toekomst te beheersen, dan heeft science fiction misschien niet zoveel te brengen. Maar als het gaat om inspiratie voor innovatie of het tijdig signaleren van nieuwe maatschappelijke dilemma’s, dan waarschijnlijk des te meer.

Goed nieuws over zure regen


In de jaren tachtig van de vorige eeuw hadden we een groot probleem: zure regen. Zwaveldioxide en stikstofdioxide uit uitlaatgassen van auto’s en zware industrie en ammoniak afkomstig uit de mest van vee kwamen in de lucht terecht en zorgden voor verzuurde regen. Rond 1982 luidden wetenschappers de noodklok: als er niet snel werd ingegrepen, zouden bossen massaal afsterven. In de pers kreeg dit verhaal veel aandacht. De aftakeling van bomen bleek al goed zichtbaar. Het publiek hoefde daarom nauwelijks van de noodzaak van maatregelen overtuigd te worden. Regeringen steggelden niet over wie in welke mate schuld had aan het probleem: iedereen besefte dat alle Europese landen zowel schuldig als slachtoffer waren. In Nederland en andere Europese landen werden snel stevige maatregelen genomen. De loodvrije benzine werd ingevoerd voor auto’s. Veehouders werden verplicht de uitstoot van ammoniak terug te dringen. Elektriciteitscentrales, raffinaderijen en andere zware industrieën moesten luchtzuiveringsinstallaties aanbrengen. Het beleid was een succes. Binnen tien jaar was het probleem grotendeels opgelost; de bossen herstelden zich.

Als we dit toen konden, kunnen we dan nu ook de opwarming van de aarde tegenhouden? Helaas is dit wel wat ingewikkelder. De klimaatverandering is nog groter en duurder om op te lossen. De opwarming van de aarde heeft een grotere traagheid dan zure regen: het is minder snel bij te sturen. Bovendien is het geen regionaal, maar een wereldwijd probleem. Er zijn dus nog meer landen bij betrokken, met een grote diversiteit aan middelen en prioriteiten. Daarbij komt dat er nog minder dan bij zure regen een directe relatie is tussen de inspanningen die je doet om het probleem te verhelpen en de mate waarin je daar zelf van profiteert. En, tot slot, het probleem is (nu nog) minder zichtbaar dan de dode bossen van 35 jaar geleden.

Maar het voorbeeld van de zure regen stemt toch hoopvol. Het laat zien dat als iedereen het probleem en de urgentie ervan begrijpt, we tot snel en adequaat handelen in staat zijn. In die zin ligt de sleutel tot oplossing van het klimaatprobleem misschien bij meer en betere communicatie. Dat zou toch mogelijk moeten zijn?