Space Invaders

Landen, maar vooral bedrijven, kijken steeds verder dan onze planeet aarde. Ze denken na over ruimtereizen, vestigingen op de maan, het ontginnen van grondstoffen op Mars. Tegelijkertijd ontstaan er nu al problemen door vervuiling van de ruimte. Oude satellieten en raketstukken zweven doelloos door de atmosfeer en vormen een toenemend gevaar voor het ruimteverkeer. Het wordt drukker in de ruimte en we gaan elkaar steeds meer in de weg zitten. En dat zal onvermijdelijk tot de vraag leiden van wie de ruimte nu eigenlijk is.

Gelukkig is daar al over nagedacht. In 1967 ondertekenden vrijwel alle landen van de wereld het Ruimteverdrag van de Verenigde Naties. In dat verdrag worden grenzen gesteld aan het gebruik van wapens in de ruimte en is afgesproken dat de maan en planeten niet door een land kunnen worden geclaimd. Dat laatste lijkt op het zeerecht: ook de oceanen zijn van niemand en dus van iedereen. We weten echter waar dat toe heeft geleid: overbevissing en plastic soep.

Wat kunnen we daarvan leren voor de aanstaande avonturen in de ruimte? Waarschijnlijk dat een ‘zeerecht-achtig’ verdrag onvoldoende is. Dat meer specifieke afspraken nodig zijn over welk gedrag in de ruimte wel en niet OK is. En ook het handhaven van gemaakte afspraken vormt een uitdaging in een tijd dat internationale verdragen met het grootste gemak worden opgezegd.

Het beschermen van de ruimte lijkt letterlijk een ‘ver van ons bed show’. Maar de ontwikkelingen gaan harder dan de meesten van ons zien. En er is op dit moment weinig zekerheid dat we niet alle fouten die we in het verleden op aarde hebben gemaakt, in de ruimte weer gaan herhalen. Zoals het nu gaat, zou het exploiteren van de maan als een gigantisch reclame billboard (een populair science fiction scenario) binnenkort zomaar werkelijkheid kunnen zijn.

Quantum risk

Techbedrijven (Google, Microsoft, IBM) en universiteiten (waaronder Delft) zijn druk bezig met de ontwikkeling van een quantum computer. De rekenkracht van zo’n nieuw soort computer is fenomenaal: op basis van schattingen van Google honderd miljoen keer groter dan de computers die we nu gebruiken. Zo’n enorme rekenkracht heeft grote voordelen, bijvoorbeeld voor het genezen van ziektes. De quantum computer is een zeldzaam voorbeeld van een echte doorbraak innovatie. De meeste innovaties zijn een stapsgewijze verbetering van een bestaande technologie. Omdat het verschil tussen nieuw en oud beperkt is, wordt die laatste niet meteen waardeloos. De quantum computer is echter een ongekende sprong voorwaarts, waar bestaande technologie in het geheel niet mee kan concurreren. En dat leidt tot uitdagingen waar we nauwelijks ervaring mee hebben.

Voor een quantum computer is het bijvoorbeeld een koud kunstje om onze wachtwoorden en beveiligingscodes te kraken. Niet alleen van je Facebook account, ook die van de app van je bank of een bitcoin wallet. Dat is nogal wat, als je hele online bestaan ineens onbeschermd is. Om de grootste paniek meteen weer weg te nemen: het duurt nog wel even (10 jaar? 15 jaar?) voordat die quantum computer het laboratorium ontgroeit. En er wordt momenteel ook al gewerkt aan nieuwe encryptie en beveiligingscodes die zo complex zijn, dat ze zelfs door een quantum computer niet gekraakt kunnen worden. Maar het is de vraag of dat laatste snel genoeg gaat. En of die nieuwe beveiligingstechnologie wel voor iedereen beschikbaar is zodra de eerste quantum computer operationeel wordt.

Stel dat de ontwikkeling of uitrol van de nieuwe beveiligingstechnologie niet snel genoeg gaat, dan ontstaat er straks een enorme ongelijkheid tussen mensen die de beschikking hebben over de eerste echte quantum computer en zij die dat niet hebben. De eerste groep is dan in staat om toegang te krijgen tot alle online gegevens van de tweede groep en kan daarmee in feite doen wat zij wil.

Moeten we dit accepteren? Of moet de overheid hier een vrij unieke ingreep doen en de toepassing van deze innovatie aan banden leggen? En als we dat al willen, kán de overheid dat eigenlijk wel? Is daar geen (vrijwel onmogelijk te organiseren) wereldwijde samenwerking voor nodig? Of is het mogelijk om ervoor te zorgen dat iedereen tegelijkertijd toegang krijgt tot een quantum computer? Of moeten we op tijd onze online activiteiten voor de zekerheid maar weer offline gaan organiseren?

Deze vragen zijn zo ingewikkeld dat een periode van 10 of 15 jaar om erover na te denken en tot een oplossing te komen, helemaal niet zo lang is.

Ongemakkelijke solidariteit

Pensioenen staan onder druk. Overheden verhogen de pensioenleeftijd omdat mensen steeds ouder worden. Tegelijk laten pensioenfondsen pensioenrechten minder stijgen dan de inflatie. Waarbij van mooie regelingen uit het verleden, zoals de eindloonregeling, vroegpensioen (VUT) en waarde garanties, allang geen sprake meer is. Gepensioneerden en bijna-gepensioneerden zijn daar natuurlijk niet blij mee. En daarom oefenen ze druk uit om hun pensioen op peil te houden. Maar wie gaat dat betalen? Als het de ouderen niet zijn, dan hoogstwaarschijnlijk de jongeren. Die zijn als het om pensioenen gaat bovendien een gemakkelijke prooi, omdat ze daar nog nauwelijks mee bezig zijn.

Jonge mensen hebben het echter zelf ook niet eenvoudig. De zekerheid van een vaste baan kennen zij nauwelijks meer. Veel jongeren leven in een wereld van nulurencontracten en tijdelijke baantjes, vaak als ZZP’er waarbij ze helemaal geen pensioen opbouwen. Hun inkomen staat vaak in geen verhouding tot wat ouderen verdienen of als pensioen ontvangen. Omdat ze op een ander moment zijn geboren, profiteren ze niet mee van de rechten die ouderen hebben opgebouwd en verworven. En via de zorgverzekering betalen ze onder het mom van solidariteit flink mee aan de veel hogere medische kosten van ouderen.

Wie moet nu wie helpen? De jongeren de ouderen of omgekeerd? Als er door structurele demografische en technologische factoren een eerdere verwachting niet haalbaar blijkt, dan is het niet eerlijk om de rekening daarvoor bij één bepaalde groep te leggen. Ouderen zullen eraan moeten wennen dat hun pensioenen lager zijn dan verwacht, jongeren zullen moeten accepteren dat hun carrièreperspectief minder mooi is dan dat van hun ouders vroeger. En laten we hopen dat over veertig jaar de zorgkosten van de jongeren van nu kunnen worden betaald door de generatie van hun kinderen.

Smart countryside

Hoe we onze ruimte indelen, hangt af van hoe we leven. En een belangrijk onderdeel van ons leven is de manier waarop wij werken. Tot nu toe is werk plaatsgebonden en die plaats is in veel gevallen een stad. Want handel en industrie hebben goede aansluitingen nodig op havens, snelwegen, vliegvelden en spoor. En als ze daar eenmaal gevestigd zijn, komt er een zichzelf versterkende spiraal op gang. Industrie, die vaak kapitaalintensief en daardoor grootschalig is, betekent veel werkgelegenheid en dat trekt mensen aan. En daardoor wordt nieuwe dienstverlening aangetrokken, wat tot nog meer werkgelegenheid en bevolkingsgroei in de stad leidt. Zeker wanneer er tegelijkertijd in de landbouw door mechanisatie steeds minder mensen nodig zijn.

Maar wat betekent dat voor de toekomst? Is het te verwachten dat de verstedelijking doorzet? Veel innovators en futuristen gaan er impliciet vanuit dat de techniek wel verandert, maar de maatschappelijke context niet. Zo zijn nieuwe transportmiddelen als de hyperloop, concepten als smart city (het organiseren van grote steden met behulp van data en internet of things-oplossingen) en technieken als verticale landbouw allemaal gebaseerd op het impliciete idee dat de stad de toekomst blijft.

Maar is dat ook zo? Want het wordt steeds gemakkelijker om met een snelle internetverbinding vanuit huis te werken. En ook de mogelijkheden van lokale productie worden groter. 3D-printing maakt het mogelijk spullen ‘on demand’ te maken en dienstverlening (zelfs gezondheidszorg!) kan in toenemende mate op afstand worden uitgevoerd. We hoeven steeds minder voor ons werk in de stad te wonen. En misschien vinden we de kwaliteit van leven op het platteland wel beter. Kleinschalig wonen in een gemeenschap van mensen die je persoonlijk kent, lokale productie, dichtbij de natuur en toch volledig aangesloten op alles wat er in de wereld gebeurt.

Ik verwacht niet dat de steden binnen afzienbare tijd zullen leeglopen, maar wel dat er een tegenbeweging ontstaat. Er is ruimte voor een opleving van het platteland en lokale productie. Laten we daarom niet alleen nadenken over smart city, maar vooral ook over smart countryside.

Natuurbescherming, waarom?


Veel mensen maken zich zorgen dat de natuur wordt bedreigd. Dat oerwoud wordt gekapt, de zee verandert in plastic soep en diersoorten uitsterven. Maar waarom vinden we dat eigenlijk erg? Er zijn verschillende impliciete motivaties voor, die echter tot hele andere manieren kunnen leiden om de natuur te beschermen.

De natuur als doel op zich
Sommige mensen zien de waarde van de natuur in het grote, alles omspannende systeem. Zij willen de natuur zoveel mogelijk in haar oorspronkelijke staat behouden. De mens zou moeten fungeren als een onderdeel van het ecosysteem, en zoals alle organismen geven en nemen zonder het systeem zelf uit evenwicht te brengen. Mensen met deze opvatting hechten meer waarde aan een oerbos dan een door de mens aangelegd natuurgebied. Ze accepteren dat de natuur blind is voor de belangen van individuele dieren of mensen. Deze visie is vaak geworteld in een spiritueel gevoel dat alles met alles samenhangt en dat wij onlosmakelijk verbonden zijn met alles dat bestaat: de natuur of, zo je wilt, de kosmos. De mens staat niet boven de natuur, maar is er onderdeel van. Deze opvatting vertaalt zich in ontzag en respect voor de natuur zoals die is. En vanuit dat respect moet de mens de natuur niet verstoren, laat staan kapot maken.

Het gaat om het leven
Een visie die hier op het eerste gezicht op lijkt, is nadruk leggen op de waarde van leven. Mensen die deze overtuiging aanhangen, vinden echter niet zozeer de natuur als systeem van belang, maar in de eerste plaats de wezens die erin leven. Waarbij ‘hogere’ organismen, zoals zoogdieren vaak als waardevoller worden gezien dan bijvoorbeeld insecten of planten. Dit zijn de mensen die het eigenlijk niet over hun hart verkrijgen dat wilde paarden verhongeren in de Oostvaardersplassen, hoe ‘natuurlijk’ dat ook mag zijn. Maar die anderzijds niet wakker liggen van het uitsterven van onbekende plantensoorten. En voor wie er geen principieel verschil bestaat tussen ‘echte’ en gemaakte natuur. Waarom? Het antwoord is empathie. Vanuit de evolutie willen we niet alleen ons eigen belang dienen, maar ook dat van de groep. Daarom heeft de natuur ervoor gezorgd dat we ons kunnen inleven in de gevoelens van anderen. Niet alleen in die van mensen, maar ook in die van dieren waarvan we de emoties herkennen. Hoe minder we ons met een dier kunnen identificeren, hoe minder empathie we ervoor voelen. Hoe het met een vlieg gaat kan ons daarom eigenlijk niets schelen. Dat heeft niets te maken een objectief waardeverschil tussen het leven van een vlieg of dat van een paard. Het zegt alleen iets over onszelf.

Welzijn van de mens
Een derde benadering is om de natuur te willen beschermen omdat dat in het voordeel is van de mens. Een ecosysteem als de Amazone is een schatkamer van potentiële medicijnen. Overbevissing nu leidt tot honger straks. CO2-uitstoot brengt klimaatrisico’s met zich mee die de bestaanszekerheid van miljarden mensen bedreigen.  En daarom, zo vinden veel mensen, moeten we de natuur beschermen. Ons welzijn hangt ervan af. Vanuit menselijk nut bezien, is er echter niets tegen legbatterijen. En de wens om de groeiende wereldbevolking te voeden, kan een reden zijn om bos te veranderen in landbouwgrond. De mens is het doel, de natuur is een middel. En in die zin niet anders dan technologie.

Drie visies, drie motivaties om de natuur te beschermen. Vaak lopen ze door elkaar in de oordeelsvorming van mensen. Nu de impact van het menselijk handelen op de natuur echter groter wordt dan ooit (denk aan het klimaat, maar ook aan genetische manipulatie) kunnen de drie visies wel tot hele andere beslissingen leiden over hoe om te gaan met de natuur. Moet alles zoveel mogelijk ongerept worden gelaten, moeten we vooral rekening houden met nu levende dieren of moeten we kijken vanuit het menselijk belang? En als alle drie de visies relevant zijn, hoe komen we dan tot een balans? Zolang we niet goed weten WAAROM we de natuur willen beschermen, weten we eigenlijk ook niet goed HOE we dat moeten aanpakken…

Toekomstles op school


Er is sprake van een groeiende mismatch tussen wat afgestudeerden met een universitair of HBO-diploma kunnen en waar de arbeidsmarkt behoefte aan heeft. Dat uit zich enerzijds in talentvolle jongeren die ver onder hun niveau werken en anderzijds in vacatures die bijna niet te vervullen zijn (vind bijvoorbeeld maar eens een jonge data analist met kennis van machine learning). Het maken van een goede studiekeuze is dus erg belangrijk. Middelbare scholieren moeten alleen niet teveel luisteren naar wat onderwijsinstellingen zeggen over het arbeidsmarktperspectief van een studie. Die hebben immers direct belang bij het aantrekken van grote aantallen studenten. Maar wat er na het afstuderen gebeurt, is niet hun probleem. Scholieren kunnen beter zelf de verantwoordelijkheid nemen om een onderbouwde keuze te maken.

Daar moeten ze echter wel bij worden geholpen. Want het is niet alleen in het belang van de jongeren zelf, maar ook van de maatschappij dat zij leren na te denken over de toekomst. Een opleiding is immers een investering voor de wereld van morgen. Natuurlijk weten we niet zeker hoe de toekomst eruit ziet. Maar het is ook niet zo dat we helemaal niets weten. Er zijn trends die we zonder al te veel risico kunnen extrapoleren, bijvoorbeeld dat de vraag naar data analisten zal blijven toenemen. We weten van sommige beroepen (bijvoorbeeld in de bouw) dat de vraag conjunctuurgevoelig is. Dat betekent dat je je niet moet blindstaren op een arbeidsmarkt die heel krap of heel ruim is op het moment dat je je aanmeldt voor een studie. En tot slot zijn er beroepen waarvan vrij algemeen wordt verwacht dat de vraag op termijn af zal nemen als gevolg van technologische ontwikkelingen. Belastingadviseur wordt bijvoorbeeld genoemd als een beroep waarvoor aanzienlijk minder werk zal zijn als kunstmatige intelligentie haar belofte inlost.

Wanneer je als middelbare scholier (aankomend student) hebt geleerd om te denken in trends en toekomstscenario’s, kan je beter inschatten wat de kans is op een baan (of een eigen bedrijf) na afstuderen. En door met de toekomst bezig te zijn, loop je vanzelf tegen de vraag aan wat je vindt van de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen die om ons heen plaatsvinden. Wat zie je als een kans, waar maak je je zorgen over? Daarover nadenken helpt om nog beter te weten wat je wilt. Met die gecombineerde inzichten ben je beter in staat om een onderbouwde studiekeuze te maken. Toekomstdenken zou, kortom, een vaste plek op het rooster van de middelbare school moeten krijgen!

De uitdagingen van directe democratie

Ik moet iets bekennen: ik geloofde in directe democratie. Mijn beeld was dat de afstand tussen politiek en burger te groot is geworden. En dat internet en mobiel prima mogelijkheden bieden om via online polls de burger direct in de politieke besluitvorming te laten participeren. Waardoor de betrokkenheid bij wat er in de maatschappij gebeurt, vergroot wordt.

Dat idee heb ik een paar jaar geleden met een groot aantal mensen besproken. Maar dan moet je toch concluderen dat directe democratie lastiger is dan het op het eerste gezicht lijkt. Wat zijn de belangrijkste complicaties:

  • Wie formuleert de vragen die aan de kiezers worden voorgelegd? Want hoe de vraag wordt geformuleerd, bepaalt in hoge mate het antwoord.
  • Politiek gaat niet alleen over stemmen, maar ook over het formuleren van voorstellen, onderhandelen en het zoeken van compromissen. Hoe organiseer je dat in een online poll?
  • Lang niet iedereen heeft de kennis om de gevolgen van bepaalde keuzes te overzien. Of tijd en zin om zich in een onderwerp te verdiepen.
  • Er staan altijd heel veel onderwerpen op de politieke agenda. Die allemaal voorleggen aan de burger zou tot een overkill aan vragen leiden.
  • Mensen gaan misschien alleen stemmen over onderwerpen die hun eigen belang direct raken. Als het over landbouw gaat, stemmen alleen de boeren; als het over pensioenen gaat, stemmen alleen de gepensioneerden. Waardoor elke minderheid z’n zin krijgt, maar de totale uitkomst verre van optimaal is voor de samenleving als geheel.
  • Politiek is meer dan de optelsom van een aantal losse beslissingen. Er is ook een overkoepelende visie nodig over hoe het verder moet met de wereld, met een zekere continuïteit in de uitvoering ervan. Als die ontbreekt, krijg je al snel opportunistische en niet-consistente beslissingen (de uitgaven moeten omhoog, maar de belastingen moeten omlaag). Of een zig-zag beleid, waarbij de prioriteiten steeds veranderen.
  • Kiezers stemmen soms met de onderbuik, vanuit emoties als boosheid, jaloezie en frustratie. Dat leidt waarschijnlijk niet tot de meest verstandige beslissingen. Beroepspolitici kunnen hier wellicht beter mee omgaan.

Maar toch. Eigenlijk geloof ik nog steeds dat onze democratie beter kan door slim gebruik te maken van online middelen. Maar de manier waarop is niet zo eenvoudig. Soms is de vraag hoe we technologie het beste kunnen inzetten nog ingewikkelder dan het bedenken van de technologie zelf. Creatieve suggesties welkom!

Hoger onderwijs voor de toekomst

De manier waarop we jongvolwassenen onderwijs geven is vrijwel hetzelfde als 30 jaar geleden. En dat is gek, want er is inmiddels veel veranderd. Bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt, het uiteindelijke doel van hoger onderwijs. Door de steeds snellere technologische ontwikkeling veranderen sommige beroepen onherkenbaar (agrariër?), andere verdwijnen zelfs helemaal (administratief medewerker?). En nieuwe beroepen ontstaan, met specifieke eisen aan kennis en vaardigheden (robot trainer?).

Onderwijsinstellingen richten zich op de arbeidsvraag zoals die nu is. Dat is echter niet goed genoeg. Een opleiding kost gemiddeld een jaar of vijf, we zouden studenten daarom minimaal kennis en vaardigheden moeten meegeven die op het moment van hun afstuderen relevant zijn. En eigenlijk is een horizon van vijf jaar nog veel te kort, een opleiding is immers een investering voor de middellange termijn. Vijftien jaar lijkt daarom reëler. En als we kijken naar de wereld in 2032, hoe houden we dan vandaag in ons onderwijs aan studenten accountancy of notariaat rekening met de opkomst van de blockchain? Heeft het nog zin marketingstudenten te onderwijzen in de traditionele 4 P’s, die niet passen bij online business (het schijnt nog steeds te gebeuren)?

Het alternatief, een toekomstgericht onderwijsaanbod, is niet eenvoudig. Het vraagt om visie en het vermogen om snel op nieuwe inzichten in te spelen. Dat laatste vinden veel onderwijsinstellingen lastig. Het kost in de huidige manier van werken veel tijd om een nieuwe opleiding te ontwikkelen of een bestaande aan te passen. Het bedrijfsleven is de afgelopen decennia afgestapt van ‘alles zelf doen’ naar slim uitbesteden en assembleren. Veel onderwijsinstellingen zitten echter nog op het productiemodel van de vorige eeuw en dat is niet handig. Je kan immers niet overal de beste in zijn. Het zou bijvoorbeeld zomaar kunnen dat Stanford of MIT beter studiemateriaal hebben ontwikkeld op het gebied van data modellering. Instellingen zouden slim gebruik moeten maken van door anderen ontwikkelde (online) opleidingsmodules, bijvoorbeeld de bekende MOOC’s, en die aanvullen met offline begeleiding en zelf ontwikkelde vakken en casestudies. Op die manier zou veel sneller een opleiding samengesteld kunnen worden. Financieel kan het interessant zijn om aan de andere kant zelf ontwikkelde content (online colleges en ondersteunende materialen, examenvragen, cases, databestanden) aan te bieden aan andere instellingen. Een dergelijke marktplaats voor educatieve content leidt tot hogere kwaliteit en lagere kosten dan wanneer alles zelf wordt gemaakt. En maakt het ook nog eens gemakkelijker om maatwerk opleidingen te leveren voor mensen met een specifiekere behoefte dan die van de gemiddelde student van 18 jaar oud. Het model van ‘kennis opdoen tot je 25e, kennis toepassen tot je 65e’ is achterhaald. Waarom spelen onderwijsinstellingen geen grotere rol in het bijscholen van mensen met werkervaring?

Onderwijs moet bij uitstek toekomst-georiënteerd zijn. En dat vraagt om innovatie in het ontwikkelen van de leerstof. Een uitdaging, maar ook een mooie kans om je als onderwijsinstelling te onderscheiden van de rest!

Het einde van landen


Had Máxima toch gelijk toen ze zei dat de Nederlandse identiteit niet bestaat? Over nationaliteit wordt soms gedaan alsof het iets vanzelfsprekends, iets onaantastbaars is. Maar dat is niet zo. Driehonderd jaar geleden was er nog nauwelijks besef van nationale identiteit. En op dit moment is het volgens mij alweer op z’n retour.

Eeuwenlang had men vooral een band met mensen met dezelfde taal en cultuur. Als je elkaar verstaat en begrijpt, dan heb je immers sneller onderling vertrouwen. Taal en cultuur waren gebonden aan de plek waar je woonde. Mensen waren namelijk niet mobiel (reizen was niet eenvoudig), waardoor regionale verschillen in stand bleven. Natuurlijk waren er overkoepelende politieke organisatievormen. Maar dat waren niet zozeer landen, als wel vorstendommen. Vaak bestonden die uit veel verschillende soorten gebieden en soms werden ze (door oorlogen of huwelijken) gesplitst of juist samengevoegd.

Rond het jaar 1800, in de tijd van revoluties en onafhankelijkheidsstrijd, veranderde dat. Vorsten waren niet langer het vanzelfsprekende bindmiddel en er ontstonden soms grote politieke verschillen tussen het ene land en het andere. De grenzen tussen landen werden scherper afgebakend. Tegelijk nam ook de mobiliteit tussen regio’s toe, waardoor binnen een land de taal en de cultuur uniformer werden. Nationaal bewustzijn was het gevolg.

Nu zien we echter het begin van weer een nieuwe fase. De mobiliteit is verder toegenomen, nu ook internationaal. Mensen, rijk en arm, migreren voor werk. Anderen zoeken als vluchteling onderdak in het buitenland. Via Skype of social media is het eenvoudig om contacten te onderhouden met kennissen die ver weg wonen. Menselijke netwerken worden daardoor virtueler en minder gebonden aan een bepaalde plek. De cultuur binnen de grenzen van een land wordt als gevolg van die ontwikkelingen minder uniform. Terwijl tegelijkertijd internationale culturele verschillen juist afnemen en taal steeds minder een barrière vormt.

Het idee van een land en een nationaal gevoel zijn geen absolute noodzaak. Zij hebben vandaag de dag nog steeds een functie, maar de context verandert. Natuurlijk blijven regels en organisatie nodig om het samenleven van mensen in goede banen te leiden. Maar dat samenleven heeft steeds minder te maken met de plek waar wij wonen. Het lijkt tijd om na te denken over hoe we een wereld zouden organiseren zonder landen.

Kunnen we vooruitgang tegenhouden?


Technologische vooruitgang bedreigt de bestaande orde. Banen verdwijnen door robotisering, persoonlijke dienstverlening wordt vervangen door online self-service.

Lang niet alle consequenties van nieuwe techniek worden door iedereen als positief ervaren. Maar kunnen we er wat aan doen, hebben we een keuze? Er zijn weinig voorbeelden van technologische vooruitgang die bewust werd tegengehouden, maar ze zijn er.

In het midden van de zestiende eeuw hadden de Portugezen vuurwapens geïntroduceerd in Japan. Binnen korte tijd fabriceerde Japan zelf eersteklas kanonnen en geweren en liep het land zelfs voorop in het gebruik van geschut in tijden van oorlog. De samoerai zagen echter dat hun sociale positie door vuurwapens ernstig werd bedreigd. Want het heeft weinig zin om je jarenlang te bekwamen in de kunst van het zwaard vechten als elke willekeurige sukkel je omver kan schieten. De samoerai zorgden ervoor dat de productie van vuurwapens eerst onder het centrale gezag werd gebracht om het vervolgens langzaam af te bouwen. Iets meer dan honderd jaar nadat vuurwapens in Japan waren geïntroduceerd, waren ze ook weer verdwenen.

Kernwapens passen ook in het rijtje. Na de inzet van kernwapens tegen Hiroshima en Nagasaki aan het einde van de tweede wereldoorlog hebben de landen die kernwapens bezaten met succes afspraken gemaakt met als doel het bezit van kernwapens te beperken en de inzet ervan te voorkomen.

En tot slot een voorbeeld dichter bij huis: de plofkip. Actiegroep Wakker Dier is er met een succesvolle campagne in geslaagd om de publieke opinie tegen deze ‘productiekip’ te keren. Waardoor de plofkip langzaam maar zeker uit de winkelschappen verdwijnt.

Want als er geen vraag is, dan verdwijnt ook het aanbod. De vraag is dus: wat willen wij? En als je daarover nadenkt, kom je er achter dat we vooruitgang meestal helemaal niet tegen WILLEN houden. Misschien wel als werknemer, omdat onze baan op de tocht staat. Of misschien ook als betrokken burger. Maar als consument omarmen wij bijna altijd de nieuwe, betere, goedkopere mogelijkheden.

De maatschappij, dat zijn wij. Als we technologie willen afstoppen of reguleren (beperkingen aanbrengen in de toepassing ervan), dan kan dat. Maar de grote vraag is of we het echt willen.