Ieder z’n eigen realiteit

Onze werkelijkheid wordt bepaald door twee dingen: zintuigelijke waarnemingen en hoe we die interpreteren. Dat zijn beide geen objectieve dingen. In het geval van interpretatie is dat gemakkelijk te begrijpen. Vroeger was er in de meeste gemeenschappen sprake van een relatief uniforme cultuur en religie. En daarmee interpretatie van wat we om ons heen zagen en hoorden. Maar nu we meer in contact staan met mensen uit andere windstreken en religie een persoonlijke keuze is geworden, merken we dat er hele andere interpretaties van de wereld mogelijk zijn. In sommige culturen is het beleefd om iemand anders recht in de ogen te kijken, in andere culturen is dat juist een gebrek aan respect. Sommige mensen gaan uit van het bestaan van engelen of geesten, andere mensen geloven daar niet in. Met uitzondering van een (gelukkig beperkt) aantal fanatici accepteren de meeste van ons dat onze overtuigingen en onze culturele gewoontes niet gelijk hoeven te zijn aan die van iemand anders.

Wellicht lastiger te erkennen is dat onze zintuigelijke waarneming evenmin een objectieve waarheid is. Walvissen, termieten, vogels of vleermuizen ervaren een andere werkelijkheid dan wij. En bodyhackers ook. Dat zijn mensen die een stukje technologie in hun lichaam integreren, bijvoorbeeld kleine magneetjes in hun vingers waarmee ze na enige tijd magnetische velden kunnen voelen. En wetenschappers zijn bezig met nieuwe technische oplossingen om verloren zintuigen te herwinnen of te verbeteren. Het is echter niet uitgesloten dat onze zintuigen door dat soort innovaties niet alleen worden verbeterd, maar ook veranderen. En dan is daar ook nog virtual reality. Mensen leven steeds meer in een online wereld, die bijna net zo echt en belangrijk kan zijn als de fysieke wereld. Fortnite is een mooi voorbeeld. Voor spelers is dit niet alleen een game, maar ook een sociale ontmoetingsplaats. Waarin grote bedragen worden uitgegeven aan virtuele kleding (‘skins’) en waar onlangs miljoenen mensen (of eigenlijk hun avatars) een live (maar virtueel) concert bijwoonden van de bekende DJ Marshmello.

De werkelijkheid, die altijd al intersubjectief was maar in hoge mate gedeeld, wordt steeds meer een persoonlijke keuze. Wat betekent dat? Dat het lastiger wordt om met iedereen overeenstemming te krijgen over feiten. Ik verwacht dat mensen toenadering zullen zoeken tot andere mensen die hun manier van waarnemen en interpreteren delen. En dat er afstand ontstaat tot mensen voor wie dat niet geldt. Het is immers lastig om een sociaal verband te onderhouden met mensen die in een hele andere realiteit leven dan jij. Ik denk dat dit kan leiden tot een nieuw soort gemeenschappen: subculturen die leven in hun eigen wereldje. Bodyhackers die communiceren met dieren? Mensen met hypergevoelige reuk? Spiritualiteit in virtual reality? Het wordt dan misschien nog moeilijker om elkaar te begrijpen dan wanneer het alleen om religieuze en culturele verschillen gaat.

Geloof dat we het kunnen


We leven in een angstige tijd. Mensen maken zich zorgen over het klimaat, wereldvrede, robotisering en zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat betekent het dat mensen bang zijn? Als je ergens bang voor bent, dan ren je weg, sta je als verlamd stil je of ga je vechten. Drie reacties die voortkomen uit de gedachte dat er gevaar dreigt. Dat er iets is dat sterker is dan jijzelf en dat jouw ontmoeting daarmee waarschijnlijk slecht afloopt. Deze gedachte bepaalt jouw emotionele reactie.

Maar je kan ook anders denken. Bijvoorbeeld dat er geen sprake is van gevaar, maar van een uitdaging waar we tegen opgewassen zijn. En dan reageer je anders. Je gaat oplossingen bedenken of dingen uitproberen. Klinkt beter, toch? Mensen waren vroeger doodsbang voor de bliksem, dat ze als een bovennatuurlijk verschijnsel beschouwden. Maar Benjamin Franklin had in 1752 het vertrouwen dat hij de bliksem kon begrijpen en in goede banen leiden. Wat hij vervolgens ook deed door de bliksemafleider uit te vinden.

Angst brengt het oplossen van onze problemen verder weg. Vertrouwen juist dichterbij. Hoe kunnen we dan vertrouwen vergroten en angst wegnemen? Mensen vinden onzekerheid en onduidelijkheid moeilijk. Ze zoeken houvast in een duidelijk verhaal over hoe de wereld in elkaar steekt en waar we heen gaan. Als er een inspirerend verhaal is van een Kennedy of een Mandela, dan geeft dat een heel land vertrouwen. Maar als zo’n verhaal er niet is, krijgt het angstverhaal van Trump een kans. Hoe we de toekomst zien, bepaalt hoe deze wordt. Laten we elkaar daarom vooral vertellen hoe we onze problemen op gaan lossen. Dan zouden we daar zomaar in kunnen slagen!

Hoe willen wij worden?

Wat voor soort mensen willen wij worden? Weten we eigenlijk wel wat wij willen? Die vragen gaan deze eeuw actueel worden als gevolg van de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie (KI) en biotechnologie. De eerste heeft de afgelopen jaren een enorm momentum gekregen. Naast universiteiten en geheime diensten, investeren ook grote IT-bedrijven als Alphabet, Facebook, IBM en Baidu miljarden dollars in wetenschappelijk onderzoek naar KI. Stephen Hawking, Bill Gates en Elon Musk zijn bang dat KI de menselijke intelligentie gaat inhalen en daardoor uiteindelijk een bedreiging voor ons vormt. Musk heeft onder het motto ‘if you can’t beat them, join them’ onlangs Neuralink opgericht, een bedrijf dat zich richt op het integreren van menselijke hersenen met KI. Neuralink is geen science fiction, een aantal basistechnieken voor de integratie van natuurlijke en machine-intelligentie bestaan al. Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld van buitenaf de hersenen van ratten aansturen. Aandoeningen als de ziekte van Parkinson, anorexia en depressie worden behandeld door elektroden in de hersenen te implanteren. Exoskeletten voor verlamde mensen kunnen via hersensignalen worden bestuurd. En neurowetenschappers kunnen het brein steeds beter in kaart brengen. Het is daarom aannemelijk dat we in de toekomst inderdaad een integratie zullen zien van mens en machine-intelligentie.

Tegelijkertijd maakt ook biotechnologie een stormachtige ontwikkeling door. We zijn niet alleen druk bezig om met behulp van genetische modificatie de menselijke gezondheid en prestaties te verbeteren, we kunnen ook steeds beter levende wezens ontwerpen en klonen. De opkomst van KI en biotechnologie betekent een nieuwe fase in de geschiedenis van de mensheid. Want nadat we eeuwenlang geprobeerd hebben het menselijk leven te veraangenamen door onze externe omgeving aan te passen, gaan we dat nu proberen door onszelf te optimaliseren.

Misschien vind je dit nog een beetje griezelig klinken en hoop je dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Maar ik kan me eerlijk gezegd geen realistisch scenario voorstellen waarin bovenstaande ontwikkelingen worden afgeremd of zelfs gestopt. En als straks de eerste genetisch geoptimaliseerde en met KI-geïntegreerde supermensen ontstaan, dan kan de rest uiteindelijk niet achterblijven. Dat is het oude ‘survival of the fittest’.

De vraag wordt daarom relevant hoe wij onszelf gaan optimaliseren: hoe willen wij worden? Wij moeten duidelijke instructies geven aan de ontwerpers van onze genen en onze machine-intelligentie. Want technologie heeft geen intrinsieke doelstelling, het functioneert slechts op basis van externe opdrachten. Dit lijkt misschien triviaal, maar dat is het niet. Laten we eens kijken naar drie verschillende scenario’s: we geven de technologie geen instructies mee, we geven instructies die slechts ten dele kloppen en de technologie doet precies wat wij willen.

Stel dat wij nalaten om aan te geven wat KI en biotechnologie voor ons moeten doen, wat gebeurt er dan? In dat geval zal de technologie waarschijnlijk gericht blijven op de dingen waarvoor ze nu al wordt ingezet: het optimaliseren van economische vraagstukken, het verbeteren van onze gezondheid en prestaties en het verlengen van onze levensduur. Dat zijn op zich hele valide doelstellingen, maar ze zijn wel een beetje eenzijdig. Want hoeveel aandacht blijft er over voor alle andere behoeftes die wij hebben? Heeft biotechnologie wel oog voor de waarde van verschillen tussen mensen en van ogenschijnlijke imperfecties? Of gaat het uitsluitend designer baby’s creëren conform ‘best practice’? En hoe zit het met rechtvaardigheid, sociaal contact en plezier, hecht onze geïntegreerde machine-intelligentie daar wel belang aan? De natuurlijke kant van de mens evolueert slechts zeer langzaam, terwijl de technologie dat in een razend tempo doet. Daardoor lopen we de kans dat we steeds minder mens en steeds meer machine worden. Een soort onverwoestbare supermachine die uiterst doelgericht en efficiënt werkt. Van een mooie lentedag zullen we dan waarschijnlijk niet meer genieten. Emoties staan onze rationele doelen immers vaak in de weg. Het bestaan wordt zo misschien perfect, maar tegelijk zinloos.

Wij kunnen dit scenario voorkomen als we dat willen. Want wij zijn de klanten van de ondernemers die KI ontwikkelen en de financiers van de biotechnologen aan de universiteit. Maar dan zullen wij hen wel duidelijke instructies moeten geven over wat wij met hun technologie willen bereiken. Maar dat weten we helaas nauwelijks zelf. De drijfveren van de mens (behoeften, voorkeuren, normen & waarden, angsten) zijn in miljoenen jaren van evolutie ontwikkeld. Vaak manifesteren ze zich als instinctieve reflexen of onbewuste emoties. Onze drijfveren zijn ooit ontstaan omdat ze nuttig waren voor ons voortbestaan. Sommige zijn dat nog steeds, andere zijn dat inmiddels niet meer. Samen vormen onze drijfveren een uiterst complex geheel, samenhangend en soms tegenstrijdig. Waarvan we veel baat hebben, maar soms ook last. Bijvoorbeeld wanneer we met onze onzekerheid bij de psycholoog zitten. Onze kennis over wat wij diep van binnen willen, is op dit moment globaal, fragmentarisch en in belangrijke mate speculatief. We weten bijvoorbeeld niet eens precies wat emoties zijn. Er wordt veel onderzoek gedaan, er is zeker sprake van vooruitgang, maar we zijn er nog lang niet.

Wat zou er gebeuren als we op basis van de huidige beperkte kennis over onze drijfveren een instructie zouden opstellen als input voor machine-intelligentie en genetische modificatie? De kans is groot dat de zorgvuldig door de evolutie gecreëerde balans van krachten en tegenkrachten uit het lood raakt. Dat bepaalde drijfveren (nieuwsgierigheid?) de bovenhand krijgen ten opzichte van andere (voorzichtigheid?). En dat er zo een soort Jenga-effect optreedt: als je lukraak wat balkjes wegtrekt, zakt het hele bouwwerk in elkaar. Dat risico is natuurlijk nog groter als we er zelf voor kiezen om sommige ‘onwenselijke’ drijfveren of emoties te elimineren, zonder dat we precies begrijpen wat de functie ervan is in het grotere geheel. Jaloezie bijvoorbeeld, of verveling.

Tot slot moeten we de mogelijkheid onder ogen zien dat we succesvol zijn. Stel dat we toch in staat zijn aan onze machine-intelligentie en de biotechnologen uit te leggen wat we diep van binnen willen (bijvoorbeeld doordat KI al onze gedachten en gevoelens weet uit te lezen), wat gebeurt er dan? De technologie gaat aan de slag om het ons naar de zin te maken. Verdriet verdwijnt, evenals angst, onrecht en lelijkheid. Alles wordt mooi en goed. Maar hebben wij dan ons doel bereikt? Of zouden we merken dat we vooral gelukkig worden van het proces van behoeftevervulling, niet van een situatie waarin onze behoeftes al vervuld zijn? Onvervulde behoeftes drijven ons en geven zin aan ons leven. Het leven in een perfecte wereld zou wel eens behoorlijk deprimerend kunnen blijken. Zonder lelijk verliest mooi zijn betekenis, zonder ongeluk is geluk een leeg begrip, zonder slecht is er geen goed, zonder angst is er geen hoop. Zonder negatieve ervaringen is er geen zin van het leven. Als we dit willen voorkomen, moeten we onze instructie aan de technologie slim aanpassen.

Het stellen van de goede vraag is net zo belangrijk, en vaak net zo moeilijk, als het geven van het juiste antwoord. Onze kennis (straks geholpen door geïntegreerde machine-intelligentie) ontwikkelt zich stormachtig, met het kunnen geven van antwoorden zijn we daarom aardig op weg. Maar we hebben nog te weinig idee wat we aan de nieuwe technologie willen vragen. Voordat we hierover keuzes maken, hebben we eerst meer zelfkennis nodig. Niet op individueel niveau, maar op het niveau van de menselijke soort. We moeten de werking van onze drijfveren begrijpen en zodanig concreet beschrijven dat we ze kunnen uploaden als input voor onze toekomstige machine-intelligentie. ‘Wat wil ik eigenlijk?’ was altijd al een vraag die individuele mensen bezig hield. Als mensheid moeten we ons die vraag nu ook gaan stellen.

Privacy = vrijheid

Stel je voor dat er organisaties zijn die alles van je weten, wat zou dat betekenen? Heel veel, waarschijnlijk. Ten eerste zal je je kwetsbaar voelen. Alsof je naakt bent in een wereld waarin alle andere mensen kleren aan hebben (ze kennen jou wel, maar je kent hen niet). Nul procent privacy gaat echter verder dan alleen een onzeker gevoel. Het leidt ook tot een fundamentele verandering in je leven. Want als anderen (bedrijven, overheden) dingen van je weten, dan doen ze iets met die kennis: ze zullen je proberen te beïnvloeden. Subtiel, zonder dat je het in de gaten hebt. En op juist die manieren waarvoor je het meest gevoelig bent (want ook dat weten ze van je). Net zo lang tot je doet wat ‘men’ wil. Zonder privacy heb je geen vrije wil meer maar ben je een soort marionet die door anderen wordt bestuurd.

Het slechte nieuws is, het gaat langzaam maar zeker die kant uit. Ons leven speelt zich steeds meer online af. Onze online activiteit wordt vrijwel allemaal gevolgd en vervolgens gecombineerd met informatie uit databases waarvan jij het bestaan misschien niet eens kent. En straks wordt er aan onze online data ook nog eens data vanuit de fysieke wereld toegevoegd, nu steeds meer dingen (auto’s, energiemeters, speelgoed etc. etc.) aan het internet worden gekoppeld.

Dat heeft allemaal veel voordelen. We staan online data af omdat we daarmee betere en goedkopere (soms zelfs gratis) service krijgen dan in de fysieke wereld en het ‘internet of things’ zorgt voor gemak en nieuwe ervaringen.

Maar de prijs die we betalen is onze privacy en – uiteindelijk – onze vrijheid om zelf beslissingen te nemen. Want denk jij dat je op die hotelsite zelf je keuze hebt bepaald? Of werd je subtiel verleid om te boeken door de uitgebreid op commerciële effectiviteit geteste manier waarop de webpagina is opgebouwd (reviews boven, prijs links, korting daarnaast, reserveringsknop daaronder) en urgentie-verhogende boodschappen als ‘nog 2 beschikbaar’ en ’10 anderen zijn dit ook aan het bekijken’?

Natuurlijk is reclame er altijd al op gericht geweest om ons te verleiden en ons gedrag te beïnvloeden. Maar in het verleden waren de boodschappen op de massa gericht. Omdat ze nooit helemaal aansloten op individuele behoeften en drijfveren, waren ze niet zo effectief als de huidige manieren van 1:1 beïnvloeding. Bovendien was reclame herkenbaar als reclame. Omdat reclame beperkt effectief was, was er sprake van een balans. Consumenten voelden de verleiding de nieuwe TV te kopen waarvoor geadverteerd werd, maar konden zelf de afweging maken of ze meteen naar de winkel renden of toch liever geld bleven sparen voor de studie van de kinderen. Nu reclame onzichtbaar en super-effectief wordt (want geoptimaliseerd op individueel niveau), is het veel moeilijker om weerstand te bieden aan de voorgeschotelde verleidingen. En wordt de kans groter dat je keuzes maakt die meer in het voordeel zijn van de organisatie achter de website dan van jezelf.

Data delen over jezelf is een normaal onderdeel van het sociale verkeer. Maar er moet wel sprake zijn van soort machtsbalans. In het verleden werd die geborgd door het feit dat aanbieders niet alles van ons wisten. Nu organisaties bijna alles van ons weten, lopen we het risico om marionetten te worden. Laten we onze privacy daarom koesteren. Het gaat om onze vrijheid.

Big world, small world


De wereld is door radio, televisie en internet steeds kleiner geworden. We weten nu precies wat er in de rest van de wereld allemaal gebeurt. Vooral als het er niet goed gaat, want nieuws is meestal slecht nieuws.

Wat heeft dat met ons gedaan? Vroeger leefden we mee met de mensen in onze naaste omgeving. Nu kunnen we ons zorgen maken over de hele wereld. Aan de ene kant is dit goed. Goed omdat we ook mensen die verder weg wonen soms kunnen (of moeten) helpen. En omdat er tegenwoordig heel veel internationale afhankelijkheden bestaan: wat ergens anders gebeurt heeft uiteindelijk ook impact op ons leven hier.

Aan de andere kant lijkt betrokkenheid met de hele wereld voor steeds meer mensen teveel te worden. Ze worden onzeker en gestrest door allerlei gebeurtenissen die ver weg gebeuren. Een ramp in Afrika, een oorlog in het Midden-Oosten, de economie van China, het beleid van de Amerikaanse president. Als reactie trekken ze zich terug in hun eigen kleine microkosmos. Het nieuws volgens ze nauwelijks, ze hebben genoeg aan zichzelf en hun directe leefomgeving. Wat is beter: betrokkenheid met alles en iedereen of je uit zelfbescherming daarvan afsluiten?

Ik denk dat – als zo vaak – de oplossing ergens in het midden ligt. Het dient geen enkel doel om in detail alle problemen in de wereld te volgen. Je somber te voelen door de problemen van mensen duizend kilometer verderop. Het is wel goed om op hoofdlijnen te begrijpen hoe de situatie in de wereld is. Zodat je je een mening kan vormen over dingen waar je invloed kan uitoefenen. En je hebt misschien wel meer invloed dan je denkt. Bijvoorbeeld door je werk, eventueel vrijwilligerswerk, wat en waar je koopt, goede doelen die je steunt en hoe je stemt. Maak je druk over wat je kan beïnvloeden. Neem daar ook je verantwoordelijkheid voor. Laat de rest los.

Wat is een mens?


We weten intuïtief wel wat een mens is. Maar probeer het eens te omschrijven, dat valt niet mee. Want passen ook de ‘niet-standaard gevallen’ in de definitie? Ongeboren baby’s? Iemand die vegeteert of hersendood is? Iemand die zichzelf heeft ingevroren? Iemand die zich niets meer herinnert? Iemand die geen enkel sociaal contact maakt door een zeer zware geestelijke beperking?

Een hele praktische definitie was altijd: een mens is iemand die als kind van twee andere mensen is geboren. Maar die definitie staat door nieuwe medische ontwikkelingen onder druk. Vorig jaar werd in New York een baby geboren met drie ouders. Vanwege een DNA-afwijking van de moeder was een eicel van haar vermengd met de eicel van een donormoeder. Ook kloontechnologieën morrelen aan de deur van de ‘mens definitie’. Was het gekloonde schaap Dolly een echt schaap? Is een gekloond mens een echt mens? En stel dat we in staat zijn om met gentechnologie in een laboratorium een mens te ontwerpen en te maken, is dat dan uiteindelijk hetzelfde als iemand die op natuurlijke wijze is geboren?

Intuïtief zien we een mens als een lichaam met een geest (wat dat ook precies moge zijn). Maar de Italiaanse arts Sergio Canavero bereidt zich voor op de eerste hoofdtransplantatie. Als dat gebeurt, wat is dan de voortzetting van de oude mens? Wie is de eigenaar of erfgenaam van zijn spaargeld? Het oude hoofd met het nieuwe lichaam? Of het oude lichaam zonder hoofd (sorry, het klinkt een beetje luguber). Hoe zit het met een mens van wie het lichaam in belangrijke mate is vervangen door machines en organen van dieren (dit is vandaag de dag al mogelijk) of in een laboratorium gekweekte organen? Een genetische kruising tussen een mens en een aap (ook daar wordt aan gewerkt)? Of een in een laboratorium samengesteld mens? Passen dat soort gevallen in onze definitie van mens-zijn?

Dit zijn geen theoretische vragen. Want een mens heeft rechten waar hij zich op kan beroepen en plichten waar we hem op kunnen aanspreken. Maar dan moeten we wel eerst weten dat het een mens is.