Meer vertrouwen, meer algoritmes

Steeds meer mensen maken zich zorgen over de opmars van algoritmes. Zij weigeren cookies, plakken de camera van hun computer af, switchen naar een privacy-vriendelijke zoekmachine als DuckDuckGo, installeren Ghostery om monitoring van hun internetgedrag te blokkeren en geven als het even kan fakedata op (vult u ook wel eens in dat u bent geboren op 1 januari 1970?). Datatoepassingen staan steeds vaker in een kwaad daglicht, politici vragen de overheid zelfs voorlopig te stoppen met het ontwikkelen van slimme algoritmes. Deze ontwikkeling is jammer, want data en algoritmes kunnen ons leven en de maatschappij zoveel beter maken. Wat is hier fout gegaan?

Het antwoord is dat bedrijven en overheden tot nu toe weinig energie hebben gestoken in het creëren van vertrouwen met betrekking tot hun datagebruik. Zij zien naleving van de privacywetgeving (AVG) vaak als voldoende. Compliance is echter een morele ondergrens, goed burgerschap gaat verder dan dat. Daarnaast sluit wetgeving ook niet altijd aan op de laatste technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Zo is het delen van data met Facebook en Google voor online marketing niet zo vanzelfsprekend meer als een paar jaar geleden. En is ‘restdata’ (zoals de tijd die wij op een website blijven of de spelfouten die we maken) inmiddels net zo interessant als input voor algoritmes als traditionele persoonsgegevens. En dan hebben we het nog niet eens over de video- en audiodata die steeds meer apparaten verzamelen.

Data ethiek die verder gaat dan compliance is nodig om vertrouwen te krijgen en te houden. Dat klinkt als een beperking, maar is juist een kans. Want als klanten vertrouwen hebben, zijn ze eerder geneigd om data te delen. Wellicht zelfs meer dan nu en van betere kwaliteit (zoals hun echte geboortedatum). En als die data op een goede manier wordt gebruikt, waarbij de klant ook zelf zichtbaar voordeel ervaart, dan zal hij of zij een volgende keer nog minder moeite hebben met het leveren van input. Deze positieve feedbackloop is een belangrijke basis voor innovatie. Laten we het huidige sentiment over data en algoritmes doorbreken door te investeren in data ethiek. Meer vertrouwen, meer algoritmes: daar worden we allemaal beter van.

Grenzen aan bezit

Bezit is een recht, maar niet per se rechtvaardig. De verdeling van bezit over mensen en landen is in hoge mate bepaald door wat vorige generaties ons hebben nagelaten. En slechts in beperkte mate door wat wij zelf presteren (en ook dat laatste staat niet los van de mogelijkheden die wij door onze afkomst hebben gekregen). Nu zou die verdeling misschien niet zo’n groot probleem zijn als het bezit van de één, het bezit van de ander niet uitsluit. Als we door technologische vooruitgang straks ook relatief arme mensen van een elektrische auto kunnen voorzien, dan is iedereen blij. Toch?

Er zijn echter ook zaken die altijd schaars blijven, zaken waarvan we niet meer kunnen produceren. En waarvan het bezit door de één, het bezit door de ander dus wel uitsluit. Dat zijn in de eerste plaats land, water en grondstoffen. Veel land en natuurlijke hulpbronnen zijn ooit op minder fraaie wijze in handen gekomen van mensen, bedrijven of landen. Vroeger door kolonisering of verovering op zwakkere groepen. Tegenwoordig door gebruik te maken van zwakke wetgeving, zwakke wetshandhaving, corrupte politici of gewoon ongelijke economische verhoudingen. Denk aan grote zoetwatervoorraden (straks een schaars goed) in Zuid-Amerika die eigendom zijn van rijke westerse investeerders of aan mijnbouwbedrijven die op dubieuze wijze concessies hebben verkregen om grondstoffen te delven. Of aan China dat haar lange termijn belangen probeert veilig te stellen door te investeren in land en grondstoffen in Afrika.

Nu zijn er wel ideeën hoe het anders kan. Communisme bijvoorbeeld, maar dat is natuurlijk grandioos mislukt. Een recent en heel ander idee komt van twee wetenschappers aan de universiteiten van Chicago en Yale: Eric Posner en Glen Weyl. In hun boek ’Radical Markets’ stellen zij dat privébezit in feite tot allemaal grote en kleine monopolieposities leidt, met negatieve gevolgen voor innovatie en economische groei (rechtvaardigheid is niet hun grootste zorg). In plaats daarvan stellen zij voor om voor sommige soorten eigendom (waaronder land), het recht op bezit te vervangen door systeem van permanente veiling, waarbij iedereen kan bieden op het bruikleen van een object (zoals een stuk land of een waterbron). Het eigenaarschap blijft echter collectief, ofwel van iedereen. Het voorstel van Posner en Weyl kent absoluut nog haken & ogen die opgelost moeten worden, maar laat zien dat er serieuze alternatieven zijn voor privébezit, die ook nog eens goed samengaan met een vrije markt economie.

Privébezit van land en andere natuurlijke hulpbronnen houdt welvaartsverhoudingen die in het verleden zijn ontstaan in stand en belemmert economische ontwikkeling. Naarmate de wereldbevolking groeit en grondstoffen opraken, gaat dit een steeds groter probleem worden. Het beperken van privébezit kan een goed idee zijn voor de wereld als geheel, maar doet natuurlijk pijn voor de mensen die nu het meeste hebben. In de geschiedenis werden dit soort fundamentele veranderingen over het algemeen pas doorgevoerd na een gewelddadige revolutie. Het zou fijn zijn als we dat kunnen voorkomen en in staat zijn om via de weg van de geleidelijkheid anders om te gaan met bezit van land, water en grondstoffen. Zoals nu gebeurt met het afschaffen van de hypotheekrente aftrek, maar dan groter. Een beetje lange termijn visie zal erg op prijs worden gesteld door de volgende generaties.

Digitale infrastructuur

Vertrouwen is niet alleen van belang om plezierig samen te leven, maar ook smeerolie voor de economie: als we weten dat iedereen zich aan de spelregels houdt, durven we eerder zaken te doen en hoeven we niet alles te controleren (dat scheelt tijd en geld). De overheid heeft daar belangrijke rol in, bijvoorbeeld door te zorgen voor een goed functionerend rechtssysteem. Nederland staat internationaal bekend als een ‘high trust’ land en dat is een belangrijke pijler onder onze welvaart. We kunnen helaas niet op onze lauweren rusten, want in de digitale wereld staat vertrouwen steeds meer onder druk. In Europees verband is vorig jaar een belangrijke defensieve stap gezet door de introductie van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De digitale wereld heeft echter net als de fysieke wereld ook behoefte aan publieke infrastructuren en nutsfuncties.

Een voorbeeld: wij worden tegenwoordig overal gevraagd om online persoonsgegevens te delen. Mensen worden daar door allerlei schandalen, datalekken en verhalen over identiteitsfraude steeds terughoudender in. Dit is begrijpelijk en verstandig. Maar het leidt er ook toe dat de ontwikkeling van nuttige en bonafide toepassingen op basis van persoonsgegevens wordt afgeremd. Diverse startups hebben oplossingen bedacht waardoor consumenten vanuit een veilige omgeving hun eigen persoonlijke data kunnen beheren en gecontroleerd delen met derden. Die komen alleen in de praktijk nauwelijks van de grond omdat het voor kleine bedrijven moeilijk is om netwerkeffecten te genereren: consumenten willen pas meedoen als er genoeg bedrijven gebruik van maken, bedrijven willen pas aansluiten als er genoeg consumenten meedoen. 

Een BigTech bedrijf zou die netwerkeffecten wellicht wel kunnen realiseren en inderdaad kondigde Microsoft dit voorjaar een ambitieus plan aan voor Decentralized Identity (DID): een veilige en privacy-vriendelijke oplossing voor persoonsgegevens op basis van blockchain technologie. Maar willen wij onze digitale identiteit afhankelijk maken van een commercieel bedrijf als Microsoft? Daarvoor ligt onze ervaring met Facebook en Google, die in het verleden beloftes hebben verbroken omdat ze de verleiding van extra inkomsten niet konden weerstaan, toch te vers in het geheugen. Ziedaar de behoefte aan een oplossing door een partij die handelt vanuit het publieke belang én in staat is om voldoende schaal te creëren. De Nederlandse overheid voldoet aan die criteria, heeft in de vorm van DigiD zelfs al een soort basis gelegd en zou initiatief kunnen nemen voor een nationale oplossing voor veilige online persoonsgegevens.

En zo zijn er nog wel meer manieren te bedenken waarop de overheid een digitale samenleving kan bevorderen die ons vertrouwen waard is. Dit soort overheidsinvesteringen biedt bovendien werk aan innovatieve Nederlandse techbedrijven (Rijkswaterstaat doet ook niet alles zelf) en zal spin-off kansen creëren. Want ook in het buitenland is digitaal vertrouwen relevant. Zeker binnen Europa, dat op datagebied een andere koers heeft gekozen dan China en de Verenigde Staten. Dit is het moment om te investeren in een ‘high trust’ digitale samenleving.

Je bent met wie je samenwerkt

Bedrijven kunnen worden aangesproken op hoe zij opereren. Niet alleen op het gebied van regelgeving of kwaliteit, maar ook op het gebied van business ethiek. Als een organisatie steken laat vallen ten aanzien van bijvoorbeeld klantcommunicatie of duurzaamheid, dan moet zij zich daarover verantwoorden ten opzichte van haar klanten, werknemers en aandeelhouders. Van oudsher ging die verantwoordelijkheid vooral over de activiteiten die het bedrijf zelf uitvoerde. In toenemende mate zien we echter dat bedrijven door de publieke opinie ook worden aangesproken op het gedrag van hun toeleveranciers en business partners. Apple en Nike hebben dat bijvoorbeeld ondervonden op het gebied van arbeidsomstandigheden.

Als reactie hierop nemen bedrijven steeds meer verantwoordelijkheid voor de hele productieketen. Ze maken transparant waar grondstoffen en halffabricaten vandaan komen en vaardigen ethische normen uit waar leveranciers aan moeten voldoen. En ze monitoren de naleving hiervan. Bovenstaande ontwikkeling richt zich tot dusverre vooral op fysieke producten. Er is echter geen reden dat de ketenverantwoordelijkheid zich daartoe zou moeten beperken. Veel organisaties adverteren bijvoorbeeld via Facebook en communiceren via WhatsApp (onderdeel van Facebook). In feite geven zij daarmee de boodschap af dat zij vinden dat hoe Facebook opereert, wat hen betreft door de beugel kan. Ze verbinden hun eigen reputatie aan die van Facebook. Gezien alle discussies over Facebook is dat niet vanzelfsprekend.

Organisaties zijn van oudsher kritischer op hun eigen processen dan die van hun externe leveranciers. Ze voelen zich meer verantwoordelijk voor wat ze zelf doen dan voor wat ze inkopen of uitbesteden. Maar dat is niet logisch. Je keuzes over met wie je wil samenwerken, zeggen veel over hoe je zelf bent.

Het internet wordt helemaal anders

Het internet heeft ons leven rijker gemaakt, maar kost intussen wel klauwen met tijd: we zijn dagelijks uren bezig met online dingen opzoeken, regelen en communiceren. Maar dat gaat veranderen. Net zoals we niet meer zelf naar de winkel gaan, bezoeken we straks ook het internet niet meer. We sturen onze bot.

Bots worden nu vooral gebruikt om te chatten en te zoeken, en daar worden ze – dankzij machine learning – ook steeds beter in. Maar bots worden pas echt interessant als ze worden gecombineerd met voice. Denk Alexa, Siri en Google Assistant. Stap één is dat wij voice-powered bots dingen gaan vragen zoals wij nu zelf dingen regelen en opzoeken op internet. En dit betekent al een grote verandering. Want de voice bot zal je waarschijnlijk geen lange lijst met zoekresultaten geven, maar slechts één antwoord dat het beste aansluit bij jouw vraag en context. En interacteren met de gespecialiseerde bots die hij voor jou heeft uitgekozen om dingen regelen (een afspraak plannen bijvoorbeeld). Daarmee komt veel macht te liggen bij de partij die de voice bot aanbiedt. Ik verwacht (en hoop) echter dat er een tegenwicht ontstaat in de vorm van persoonlijke bots: bots zonder commerciële banden die jou door-en-door kennen en op termijn zelfs gemachtigd zijn om jouw persoonlijke gegevens te gebruiken om dingen voor je kopen en regelen. Jij zegt tegen je bot wat je wil en hij (zij?) gaat het internet op om je opdracht vanuit jouw belang optimaal uit te voeren. En geeft je de output terug op de manier die (situationeel) het beste past: een boek in de vorm van gesproken tekst, de route naar het strand als instructie voor je auto, een taartrecept door te projecteren welke ingrediënten je wanneer moet gebruiken (augmented reality) en een mogelijke vakantiebestemming als ervaring (virtual reality). Het internet zelf wordt vooral een bot-to-bot netwerk.

Klinkt mooi, maar zo’n toekomstbeeld roept ook veel vragen op. Over security en technische consequenties (het dataverkeer zal waarschijnlijk exponentieel groeien door bot-to-bot interactie), om maar eens wat te noemen. Over de impact op beroepen als webdesigner en online marketeer. Of over de nieuwe online machtsverhoudingen. Maar één ding is zeker: bedrijven die verder kijken dan apps en self service en als eerste gaan experimenteren met bots en nieuwe interfaces als voice en augmented/virtual reality, hebben de grootste kans om relevant te blijven.

Het voordeel van startups

Waarom zijn het bijna altijd nieuwe bedrijven, startups dus, die marktleider worden met een nieuw business model? Denk bijvoorbeeld aan Facebook, Youtube, Tesla of AirBnB. Waarom komen bestaande bedrijven nooit met dat soort grote innovaties?

De reden is dat startups weinig te verliezen hebben. Als ze slagen is dat fantastisch, maar als ze mislukken (en dat gebeurt meestal) dan is het verlies beperkt. Een startup is in hoge mate een gok. Want een goed idee en een perfecte implementatie zijn niet genoeg. Je bent er ook van afhankelijk of en hoe snel klanten je propositie weten te waarderen en wat de concurrentie doet. Een beetje geluk is onmisbaar. In die zin is een startup een beetje zoals een lot uit de loterij: er staat weinig op het spel, het risico is hoog maar er is ook kans op een hele hoge opbrengst.

Bestaande bedrijven kunnen het zich niet veroorloven om aan zo’n loterij mee te doen. Want er staat bij hen wel veel op het spel: arbeidsplaatsen en geïnvesteerd vermogen. Bestaande bedrijven nemen weinig risico omdat ze veel te verliezen hebben. Het vol inzetten op een nieuw business model is een hoog risico en daarom gebeurt dit negen van de tien keer door startups.

Ondernemingen die dit begrijpen proberen aan de randen van het moederbedrijf startup initiatieven te ontwikkelen. Daar kunnen interessante dingen uitkomen, maar het is de vraag wat je daar vervolgens mee doet. Als je een succesvolle startup in het moederbedrijf wil integeren om dat te ‘verjongen’ en innovatiever te maken, dan is dat vrijwel altijd zonde van de moeite. De cultuur en de op planning & control gerichte management processen van het grotere moederbedrijf zullen de innovatieve startup al snel dooddrukken. En het vernieuwende business model gaat ten onder in compromissen.

Wat wel kan werken is de succesvolle startup zelfstandig te laten bestaan en alle ruimte te geven om te groeien (met gebruikmaking van een aantal voordelen van het moederbedrijf, zoals een bekende en vertrouwde merknaam). Zodra je ziet dat het nieuwe bedrijf meer business potentieel heeft dan de oude business dan kan je deze laatste afstoten, waardoor je alle beschikbare middelen vrijmaakt voor de nieuwe kernactiviteit. IBM is een mooi voorbeeld. In 2004 verbaasde het de wereld door haar omvangrijke PC business (jarenlang de kernactiviteit van het bedrijf) te verkopen aan Lenovo. In plaats daarvan focust IBM nu op dienstverlening, met het kunstmatige intelligentie platform Watson als vlaggenschip. Waarmee IBM meer dan honderd jaar na haar oprichting met een compleet vernieuwd business model nog steeds voorop loopt in de wereld. Een radicale aanpak met grote consequenties voor de interne organisatie. Maar beter dat dan wachten tot een startup van buiten jouw hele bedrijf overbodig maakt.

Creatief werk is om te delen

Bedrijven vechten elkaar de tent uit over vermeende schendingen van patenten. Auteursrechtenorganisaties willen iedereen aanpakken die zonder te betalen films en muziek downloadt. Tegelijk is het door internet steeds gemakkelijker geworden om beelden, geluid, software, ontwerpen, ideeën en wetenschappelijke inzichten te kopiëren en distribueren. En bouwt onze creativiteit steeds meer voort op de creativiteit van anderen. Door het gebruik van muzieksamples, het bewerken van foto’s of het doorontwikkelen van een wetenschappelijk inzicht. Andy Warhol is er zelfs een hele nieuwe kunststroming mee begonnen. Ook veel mensen en bedrijven die intellectueel eigendom claimen, hadden hun creaties nooit kunnen maken zonder zelf voort te borduren op het werk van voorgangers.

Intellectueel eigendom van een niet-fysieke creatie is minder vanzelfsprekend dan het eigendom van een telefoon, auto of huis. Want niet-fysieke dingen kan je kosteloos kopiëren. Iemand anders kan het ook gebruiken zonder dat jij het kwijtraakt. Fantastisch toch? Is er dan eigenlijk wel sprake van een belangentegenstelling tussen de maker en de kopieerder of gebruiker? Volgens de wet wel. Bescherming van intellectueel eigendom (copyright, patenten, auteursrecht) is in de achttiende en negentiende eeuw ontstaan met als doel creatief werk te bevorderen door de makers ervan een garantie te geven dat zij ervan kunnen profiteren. Niet omdat de wetgevers hen per se wilden helpen om rijk te worden. Het doel van deze wetten was om de productie van creatief werk te stimuleren, in het belang van de samenleving.

Het is echter sterk de vraag of deze wetgeving uit de negentiende eeuw nog steeds de beste oplossing vormt voor de eenentwintigste eeuw waarin we nu leven. Ik denk dat de doorontwikkeling en verbetering van creatief werk er nodeloos door wordt belemmerd. Er zijn bovendien inmiddels mogelijkheden denkbaar om creatief werk gratis ter beschikking te stellen, maar er toch aan te verdienen. In de software en entertainment wereld zijn daarvan genoeg voorbeelden. En tot slot hebben mensen lang niet altijd een financiële motivatie nodig om nieuwe dingen te bedenken. Sommige activiteiten die nu in het commerciële domein plaatsvinden zouden ook in het privédomein of in het publieke domein kunnen gebeuren. We moeten door gevestigde belangen heen durven prikken om wetten aan te passen aan de wereld van nu.

Minder geld, meer tijd


Het is een open vraag of robots en kunstmatige intelligentie zullen leiden tot een verlies aan werk. In het verleden werd ook vaak gevreesd dat technologie (de stoommachine, de lopende band, computers) zou leiden tot het verdwijnen van arbeidsplaatsen. De praktijk was echter dat er tegelijkertijd nieuwe soorten werk ontstonden, waardoor er van massale werkloosheid geen sprake was.

Maar stel dat het deze keer anders is en dat er inderdaad minder werk voor mensen overblijft. Wat betekent dat?

Economisch betekent het dat de welvaart verschuift naar eigenaren van technologie. En omdat technologie vaak flexibeler is dan mensen, kan die worden gehuisvest (voor zover daar nog sprake van is) op plaatsen waar de belastingen het laagst zijn en de regelgeving het gunstigst. Het wordt daardoor lastig voor overheden om voldoende belasting te heffen om het verlies aan inkomen uit arbeid te compenseren (bijvoorbeeld in de vorm van uitkeringen of een basisinkomen). De inkomensongelijkheid neemt toe en wellicht hebben veel mensen minder te besteden dan nu.

Tegelijkertijd hebben we door de grotere werkloosheid ook meer vrije tijd. Verveling dreigt. Wat doen we daartegen? In elk geval geen dure hobby’s, want daar hebben de meesten van ons – zoals we veronderstellen – het geld niet voor. Ik denk dat zelfexpressie (bijvoorbeeld door schilderen of muziek maken) en het versterken van de band met andere mensen (samen dingen doen, elkaar helpen) twee interessante kandidaten zijn. Misschien maakt dat ons wel gelukkiger dan hoe we nu leven. Minder werk en minder geld hoeft niet per se slecht te zijn. Het hangt vooral af van onze verwachtingen.

Waar blijft het werk?


We zien bijna elke dag wel dat er ergens werk verdwijnt. Bedrijven reorganiseren, fuseren of gaan failliet. Vaak is het verhaal: automatisering, robotisering en – steeds vaker – kunstmatige intelligentie. Eenvoudig routinematig werk dat in een vaste omgeving wordt verricht (en daardoor voorspelbaar en programmeerbaar is) was als eerste aan de beurt. De volgende kandidaten dienen zich echter al aan: beroepen die specialistische kennis toepassen op bekende situaties. Denk aan het stellen van eenvoudige medische diagnoses, het beantwoorden van klantvragen, het behandelen van schade of het geven van financieel of juridisch advies.

Wat is daarentegen werk dat lastig geprogrammeerd kan worden:

Vakmanschap: handwerk in niet-standaard situaties is iets wat erg lastig is om te automatiseren. Onze uiterst complexe hoofd-hand coördinatie is uiterst lastig na te maken. Denk bijvoorbeeld aan loodgieters, huisschilders en hoveniers. Want elk huis en elke tuin zijn anders. Voor kappers geldt hetzelfde. Dit soort vakmensen zijn nog wel even van werk verzekerd.

Human touch: computers en robots hebben geen sociaal-emotionele intelligentie. Het is heel moeilijk om hen iets te leren over het herkennen en begrijpen van emotie. Terwijl die kennis in sommige situaties essentieel is. We zien dat contact met een robot in sommige situaties een acceptabel substituut kan zijn voor contact met een mens. Toch denk ik dat de meeste soorten werk waarin menselijk contact een verschil maakt, voorlopig blijven bestaan.

Innovatie: computers zijn niet goed in patroonherkenning, omgaan met onduidelijke situaties en het bedenken van originele inzichten. Creativiteit is een begrip dat je niet kan programmeren. Het formuleren van de juiste vraag is vaak net zo uitdagend als het vinden van het juiste antwoord (en het is vooral dat laatste waarin computers goed zijn). Als jij je bezig houdt met het ontwikkelen van nieuwe dingen, dan is de kans vrij groot dat je goed zit.

Wat zijn de kenmerken van jouw werk? Kan je je voorstellen dat een computer of robot dit zou doen? Waarom niet?

Guns don’t kill people

“Guns don’t kill people, people kill people” zegt de Amerikaanse NRA (National Rifle Association) als er weer stemmen op gaan om de vuurwapenverkoop aan banden te leggen. Alsof er geen relatie is tussen vuurwapenverkoop en dodelijke schietincidenten. Die is er natuurlijk wel, want mensen met vuurwapens gaan soms met die dingen schieten. Als ze geen vuurwapens hadden, dan deden ze dat niet.

Nieuwe technologie neemt mensen steeds meer taken uit handen. Auto’s die zelf remmen of bijsturen, drones die pakjes bezorgen, intelligente software die beslissingen voor ons neemt. En dat roept een soortgelijke vraag op als die over wapens: wie is verantwoordelijk als het misgaat? De producent van de techniek of de gebruiker? De producent zal geneigd zijn te zeggen dat de gebruiker rekening moet houden met de beperkingen en risico’s van de technologie. En hij zal om zich juridisch in te dekken een lange bijsluiter opstellen (die niemand leest) waarin hij de gebruiker op zijn verantwoordelijkheden wijst. Is hij daarmee klaar? Ik denk van niet. Want hij weet dat mensen niet perfect zijn. Ze zijn lui, overschatten zichzelf, denken in sommige situaties niet rustig na, hebben niet altijd voldoende verantwoordelijkheidsgevoel. En soms zelfs slechte bedoelingen.

Om dezelfde reden dat we hier geen openbare wapenverkoop toestaan, moeten we ook terughoudend zijn met technologie die desastreuze gevolgen kan hebben als het op de verkeerde manier wordt gebruikt. Toen drie jaar geleden drones net op de markt waren, werden ze opvallend vaak gesignaleerd in de buurt van Franse kerncentrales. Had zoiets voorkomen kunnen worden? En neem zelfrijdende auto’s: bestaat er een kans dat die gehackt worden? Wat doen fabrikanten om dat uit te sluiten of om de gevolgen ervan te beperken? Producenten moeten verder kijken dan hun juridische plicht. En overheden moeten zich verdiepen in de impact van nieuwe technologie, zelfs voordat die op de markt komt.

Technologie wordt steeds slimmer, maar de mens niet. Daarom moeten we die laatste soms tegen zichzelf beschermen.