Science fiction of trend watching?


We kunnen het weer van overmorgen goed voorspellen, maar over het weer van volgende maand hebben we geen idee. Er zijn teveel factoren die dat beïnvloeden. Net zo is het met de toekomst. Over hoe de wereld volgend jaar of zelfs de komende drie jaar gaat veranderen kunnen we nog wel iets zinnigs zeggen. Simpel gezegd is dat een kwestie van extrapoleren, het doortrekken van trends die nu al in de kiem aanwezig zijn. Bijvoorbeeld door het voorspellen van groei van relatief nieuwe technologieën, business modellen en consumentengedrag. Dit is wat futurologen en trendwatchers doen.

Maar waar gaat het over de wat langere termijn heen, zeg over tien tot twintig jaar? Voor beleidsmakers en bedrijven die grote investeringen doen een belangrijke vraag. Doortrekken van wat er nu al bestaat, is dan niet genoeg. Er zijn teveel onzekere factoren die impact hebben op wetenschap, technologie en maatschappij. Extrapolatie heeft in het verleden vaak tot achteraf lachwekkende resultaten geleid. Bijvoorbeeld het beroemde “I think there is a world market for maybe five computers” van IBM-president Thomas J. Watson (1943).

Maar laten we ook even kritisch kijken naar de toekomstvoorspellingen die we nu zelf maken. Bijvoorbeeld het algemene geloof dat we straks allemaal gebruik maken van zelfrijdende auto’s. Dit idee is nu zo vanzelfsprekend dat we bijna vergeten dat we er niet zo lang geleden nog van overtuigd waren dat de toekomst van mobiliteit gelegen was in een soort trein van auto’s om het asfalt van de snelweg optimaal te benutten. We moeten daarom niet uitsluiten dat we over tien jaar weer zijn afgestapt van het idee van een zelfrijdende auto. Misschien willen we in de toekomst wel helemaal niet meer (fysiek) reizen, maar blijven we thuis en bewegen we ons vooral door een virtuele werkelijkheid. We moeten in elk geval verder kijken dan de laatste techniek van dit moment.

Maar hoe doen we dat? Science fiction kan ons helpen. Ik denk bijvoorbeeld aan Jules Verne met zijn visionaire boek ‘Van de aarde naar de maan’ uit 1865, 104 jaar voordat de eerste maanreis realiteit werd. Ik denk aan Aldous Huxley’s verbazingwekkende ‘Brave New World’ uit 1932, waarin veel van onze moderne maatschappelijke dilemma’s worden beschreven. Ik denk aan Stanley Kubric’s film ‘2001: A Space Odyssey’ uit 1968, waarin de mogelijkheden en gevaren van kunstmatige intelligentie naar voren komen. Ik denk aan The Matrix van de Wachowski broers (tegenwoordig broer en zus) uit 1999, dat een verbijsterend beeld schetst van Virtual Reality. En aan Minority Report (2002) van Steven Spielberg, dat een toekomst met data profiling en predictive analytics laat zien.

Deze voorbeelden van science fiction gaven onze voorouders een beter idee van de verre toekomst dan serieuze voorspellingen van futurologen of trendwatchers.

Hoe deden Verne, Huxley en anderen dat? In de eerste plaats omdat zij zich lieten leiden door creativiteit in plaats van waarnemingen of logica. Zij durfden verder te gaan omdat zij niet pretendeerden een echte voorspelling te doen. Ze wilden alleen een mogelijke toekomst laten zien, gebaseerd op menselijke drijfveren of dromen.

De vraag is ook waarom we willen weten waar het in de toekomst heen gaat. Als het ons erom gaat de toekomst te beheersen, dan heeft science fiction misschien niet zoveel te brengen. Maar als het gaat om inspiratie voor innovatie of het tijdig signaleren van nieuwe maatschappelijke dilemma’s, dan waarschijnlijk des te meer.