Digitaal vertrouwen

Vertrouwen is niet alleen van belang om plezierig samen te leven, maar ook smeerolie voor de economie: als we weten dat iedereen zich aan de spelregels houdt, durven we eerder zaken te doen en hoeven we niet alles te controleren (dat scheelt tijd en geld). De overheid heeft daar belangrijke rol in, bijvoorbeeld door te zorgen voor een goed functionerend rechtssysteem. Nederland staat internationaal bekend als een ‘high trust’ land en dat is een belangrijke pijler onder onze welvaart. We kunnen helaas niet op onze lauweren rusten, want in de digitale wereld staat vertrouwen steeds meer onder druk. In Europees verband is vorig jaar een belangrijke defensieve stap gezet door de introductie van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De digitale wereld heeft echter net als de fysieke wereld ook behoefte aan publieke infrastructuren en nutsfuncties.

Een voorbeeld: wij worden tegenwoordig overal gevraagd om online persoonsgegevens te delen. Mensen worden daar door allerlei schandalen, datalekken en verhalen over identiteitsfraude steeds terughoudender in. Dit is begrijpelijk en verstandig. Maar het leidt er ook toe dat de ontwikkeling van nuttige en bonafide toepassingen op basis van persoonsgegevens wordt afgeremd. Diverse startups hebben oplossingen bedacht waardoor consumenten vanuit een veilige omgeving hun eigen persoonlijke data kunnen beheren en gecontroleerd delen met derden. Die komen alleen in de praktijk nauwelijks van de grond omdat het voor kleine bedrijven moeilijk is om netwerkeffecten te genereren: consumenten willen pas meedoen als er genoeg bedrijven gebruik van maken, bedrijven willen pas aansluiten als er genoeg consumenten meedoen. 

Een BigTech bedrijf zou die netwerkeffecten wellicht wel kunnen realiseren en inderdaad kondigde Microsoft dit voorjaar een ambitieus plan aan voor Decentralized Identity (DID): een veilige en privacy-vriendelijke oplossing voor persoonsgegevens op basis van blockchain technologie. Maar willen wij onze digitale identiteit afhankelijk maken van een commercieel bedrijf als Microsoft? Daarvoor ligt onze ervaring met Facebook en Google, die in het verleden beloftes hebben verbroken omdat ze de verleiding van extra inkomsten niet konden weerstaan, toch te vers in het geheugen. Ziedaar de behoefte aan een oplossing door een partij die handelt vanuit het publieke belang én in staat is om voldoende schaal te creëren. De Nederlandse overheid voldoet aan die criteria, heeft in de vorm van DigiD zelfs al een soort basis gelegd en zou initiatief kunnen nemen voor een nationale oplossing voor veilige online persoonsgegevens.

En zo zijn er nog wel meer manieren te bedenken waarop de overheid een digitale samenleving kan bevorderen die ons vertrouwen waard is. Dit soort overheidsinvesteringen biedt bovendien werk aan innovatieve Nederlandse techbedrijven (Rijkswaterstaat doet ook niet alles zelf) en zal spin-off kansen creëren. Want ook in het buitenland is digitaal vertrouwen relevant. Zeker binnen Europa, dat op datagebied een andere koers heeft gekozen dan China en de Verenigde Staten. Dit is het moment om te investeren in een ‘high trust’ digitale samenleving.

Je bent met wie je samenwerkt

Bedrijven kunnen worden aangesproken op hoe zij opereren. Niet alleen op het gebied van regelgeving of kwaliteit, maar ook op het gebied van business ethiek. Als een organisatie steken laat vallen ten aanzien van bijvoorbeeld klantcommunicatie of duurzaamheid, dan moet zij zich daarover verantwoorden ten opzichte van haar klanten, werknemers en aandeelhouders. Van oudsher ging die verantwoordelijkheid vooral over de activiteiten die het bedrijf zelf uitvoerde. In toenemende mate zien we echter dat bedrijven door de publieke opinie ook worden aangesproken op het gedrag van hun toeleveranciers en business partners. Apple en Nike hebben dat bijvoorbeeld ondervonden op het gebied van arbeidsomstandigheden.

Als reactie hierop nemen bedrijven steeds meer verantwoordelijkheid voor de hele productieketen. Ze maken transparant waar grondstoffen en halffabricaten vandaan komen en vaardigen ethische normen uit waar leveranciers aan moeten voldoen. En ze monitoren de naleving hiervan. Bovenstaande ontwikkeling richt zich tot dusverre vooral op fysieke producten. Er is echter geen reden dat de ketenverantwoordelijkheid zich daartoe zou moeten beperken. Veel organisaties adverteren bijvoorbeeld via Facebook en communiceren via WhatsApp (onderdeel van Facebook). In feite geven zij daarmee de boodschap af dat zij vinden dat hoe Facebook opereert, wat hen betreft door de beugel kan. Ze verbinden hun eigen reputatie aan die van Facebook. Gezien alle discussies over Facebook is dat niet vanzelfsprekend.

Organisaties zijn van oudsher kritischer op hun eigen processen dan die van hun externe leveranciers. Ze voelen zich meer verantwoordelijk voor wat ze zelf doen dan voor wat ze inkopen of uitbesteden. Maar dat is niet logisch. Je keuzes over met wie je wil samenwerken, zeggen veel over hoe je zelf bent.

Grenzen aan bezit

Bezit is een recht, maar niet per se rechtvaardig. De verdeling van bezit over mensen en landen is in hoge mate bepaald door wat vorige generaties ons hebben nagelaten. En slechts in beperkte mate door wat wij zelf presteren (en ook dat laatste staat niet los van de mogelijkheden die wij door onze afkomst hebben gekregen). Nu zou die verdeling misschien niet zo’n groot probleem zijn als het bezit van de één, het bezit van de ander niet uitsluit. Als we door technologische vooruitgang straks ook relatief arme mensen van een elektrische auto kunnen voorzien, dan is iedereen blij. Toch?

Er zijn echter ook zaken die altijd schaars blijven, zaken waarvan we niet meer kunnen produceren. En waarvan het bezit door de één, het bezit door de ander dus wel uitsluit. Dat zijn in de eerste plaats land, water en grondstoffen. Veel land en natuurlijke hulpbronnen zijn ooit op minder fraaie wijze in handen gekomen van mensen, bedrijven of landen. Vroeger door kolonisering of verovering op zwakkere groepen. Tegenwoordig door gebruik te maken van zwakke wetgeving, zwakke wetshandhaving, corrupte politici of gewoon ongelijke economische verhoudingen. Denk aan grote zoetwatervoorraden (straks een schaars goed) in Zuid-Amerika die eigendom zijn van rijke westerse investeerders of aan mijnbouwbedrijven die op dubieuze wijze concessies hebben verkregen om grondstoffen te delven. Of aan China dat haar lange termijn belangen probeert veilig te stellen door te investeren in land en grondstoffen in Afrika.

Nu zijn er wel ideeën hoe het anders kan. Communisme bijvoorbeeld, maar dat is natuurlijk grandioos mislukt. Een recent en heel ander idee komt van twee wetenschappers aan de universiteiten van Chicago en Yale: Eric Posner en Glen Weyl. In hun boek ’Radical Markets’ stellen zij dat privébezit in feite tot allemaal grote en kleine monopolieposities leidt, met negatieve gevolgen voor innovatie en economische groei (rechtvaardigheid is niet hun grootste zorg). In plaats daarvan stellen zij voor om voor sommige soorten eigendom (waaronder land), het recht op bezit te vervangen door systeem van permanente veiling, waarbij iedereen kan bieden op het bruikleen van een object (zoals een stuk land of een waterbron). Het eigenaarschap blijft echter collectief, ofwel van iedereen. Het voorstel van Posner en Weyl kent absoluut nog haken & ogen die opgelost moeten worden, maar laat zien dat er serieuze alternatieven zijn voor privébezit, die ook nog eens goed samengaan met een vrije markt economie.

Privébezit van land en andere natuurlijke hulpbronnen houdt welvaartsverhoudingen die in het verleden zijn ontstaan in stand en belemmert economische ontwikkeling. Naarmate de wereldbevolking groeit en grondstoffen opraken, gaat dit een steeds groter probleem worden. Het beperken van privébezit kan een goed idee zijn voor de wereld als geheel, maar doet natuurlijk pijn voor de mensen die nu het meeste hebben. In de geschiedenis werden dit soort fundamentele veranderingen over het algemeen pas doorgevoerd na een gewelddadige revolutie. Het zou fijn zijn als we dat kunnen voorkomen en in staat zijn om via de weg van de geleidelijkheid anders om te gaan met bezit van land, water en grondstoffen. Zoals nu gebeurt met het afschaffen van de hypotheekrente aftrek, maar dan groter. Een beetje lange termijn visie zal erg op prijs worden gesteld door de volgende generaties.

Ieder z’n eigen realiteit

Onze werkelijkheid wordt bepaald door twee dingen: zintuigelijke waarnemingen en hoe we die interpreteren. Dat zijn beide geen objectieve dingen. In het geval van interpretatie is dat gemakkelijk te begrijpen. Vroeger was er in de meeste gemeenschappen sprake van een relatief uniforme cultuur en religie. En daarmee interpretatie van wat we om ons heen zagen en hoorden. Maar nu we meer in contact staan met mensen uit andere windstreken en religie een persoonlijke keuze is geworden, merken we dat er hele andere interpretaties van de wereld mogelijk zijn. In sommige culturen is het beleefd om iemand anders recht in de ogen te kijken, in andere culturen is dat juist een gebrek aan respect. Sommige mensen gaan uit van het bestaan van engelen of geesten, andere mensen geloven daar niet in. Met uitzondering van een (gelukkig beperkt) aantal fanatici accepteren de meeste van ons dat onze overtuigingen en onze culturele gewoontes niet gelijk hoeven te zijn aan die van iemand anders.

Wellicht lastiger te erkennen is dat onze zintuigelijke waarneming evenmin een objectieve waarheid is. Walvissen, termieten, vogels of vleermuizen ervaren een andere werkelijkheid dan wij. En bodyhackers ook. Dat zijn mensen die een stukje technologie in hun lichaam integreren, bijvoorbeeld kleine magneetjes in hun vingers waarmee ze na enige tijd magnetische velden kunnen voelen. En wetenschappers zijn bezig met nieuwe technische oplossingen om verloren zintuigen te herwinnen of te verbeteren. Het is echter niet uitgesloten dat onze zintuigen door dat soort innovaties niet alleen worden verbeterd, maar ook veranderen. En dan is daar ook nog virtual reality. Mensen leven steeds meer in een online wereld, die bijna net zo echt en belangrijk kan zijn als de fysieke wereld. Fortnite is een mooi voorbeeld. Voor spelers is dit niet alleen een game, maar ook een sociale ontmoetingsplaats. Waarin grote bedragen worden uitgegeven aan virtuele kleding (‘skins’) en waar onlangs miljoenen mensen (of eigenlijk hun avatars) een live (maar virtueel) concert bijwoonden van de bekende DJ Marshmello.

De werkelijkheid, die altijd al intersubjectief was maar in hoge mate gedeeld, wordt steeds meer een persoonlijke keuze. Wat betekent dat? Dat het lastiger wordt om met iedereen overeenstemming te krijgen over feiten. Ik verwacht dat mensen toenadering zullen zoeken tot andere mensen die hun manier van waarnemen en interpreteren delen. En dat er afstand ontstaat tot mensen voor wie dat niet geldt. Het is immers lastig om een sociaal verband te onderhouden met mensen die in een hele andere realiteit leven dan jij. Ik denk dat dit kan leiden tot een nieuw soort gemeenschappen: subculturen die leven in hun eigen wereldje. Bodyhackers die communiceren met dieren? Mensen met hypergevoelige reuk? Spiritualiteit in virtual reality? Het wordt dan misschien nog moeilijker om elkaar te begrijpen dan wanneer het alleen om religieuze en culturele verschillen gaat.

Space Invaders

Landen, maar vooral bedrijven, kijken steeds verder dan onze planeet aarde. Ze denken na over ruimtereizen, vestigingen op de maan, het ontginnen van grondstoffen op Mars. Tegelijkertijd ontstaan er nu al problemen door vervuiling van de ruimte. Oude satellieten en raketstukken zweven doelloos door de atmosfeer en vormen een toenemend gevaar voor het ruimteverkeer. Het wordt drukker in de ruimte en we gaan elkaar steeds meer in de weg zitten. En dat zal onvermijdelijk tot de vraag leiden van wie de ruimte nu eigenlijk is.

Gelukkig is daar al over nagedacht. In 1967 ondertekenden vrijwel alle landen van de wereld het Ruimteverdrag van de Verenigde Naties. In dat verdrag worden grenzen gesteld aan het gebruik van wapens in de ruimte en is afgesproken dat de maan en planeten niet door een land kunnen worden geclaimd. Dat laatste lijkt op het zeerecht: ook de oceanen zijn van niemand en dus van iedereen. We weten echter waar dat toe heeft geleid: overbevissing en plastic soep.

Wat kunnen we daarvan leren voor de aanstaande avonturen in de ruimte? Waarschijnlijk dat een ‘zeerecht-achtig’ verdrag onvoldoende is. Dat meer specifieke afspraken nodig zijn over welk gedrag in de ruimte wel en niet OK is. En ook het handhaven van gemaakte afspraken vormt een uitdaging in een tijd dat internationale verdragen met het grootste gemak worden opgezegd.

Het beschermen van de ruimte lijkt letterlijk een ‘ver van ons bed show’. Maar de ontwikkelingen gaan harder dan de meesten van ons zien. En er is op dit moment weinig zekerheid dat we niet alle fouten die we in het verleden op aarde hebben gemaakt, in de ruimte weer gaan herhalen. Zoals het nu gaat, zou het exploiteren van de maan als een gigantisch reclame billboard (een populair science fiction scenario) binnenkort zomaar werkelijkheid kunnen zijn.

Het internet wordt helemaal anders

Het internet heeft ons leven rijker gemaakt, maar kost intussen wel klauwen met tijd: we zijn dagelijks uren bezig met online dingen opzoeken, regelen en communiceren. Maar dat gaat veranderen. Net zoals we niet meer zelf naar de winkel gaan, bezoeken we straks ook het internet niet meer. We sturen onze bot.

Bots worden nu vooral gebruikt om te chatten en te zoeken, en daar worden ze – dankzij machine learning – ook steeds beter in. Maar bots worden pas echt interessant als ze worden gecombineerd met voice. Denk Alexa, Siri en Google Assistant. Stap één is dat wij voice-powered bots dingen gaan vragen zoals wij nu zelf dingen regelen en opzoeken op internet. En dit betekent al een grote verandering. Want de voice bot zal je waarschijnlijk geen lange lijst met zoekresultaten geven, maar slechts één antwoord dat het beste aansluit bij jouw vraag en context. En interacteren met de gespecialiseerde bots die hij voor jou heeft uitgekozen om dingen regelen (een afspraak plannen bijvoorbeeld). Daarmee komt veel macht te liggen bij de partij die de voice bot aanbiedt. Ik verwacht (en hoop) echter dat er een tegenwicht ontstaat in de vorm van persoonlijke bots: bots zonder commerciële banden die jou door-en-door kennen en op termijn zelfs gemachtigd zijn om jouw persoonlijke gegevens te gebruiken om dingen voor je kopen en regelen. Jij zegt tegen je bot wat je wil en hij (zij?) gaat het internet op om je opdracht vanuit jouw belang optimaal uit te voeren. En geeft je de output terug op de manier die (situationeel) het beste past: een boek in de vorm van gesproken tekst, de route naar het strand als instructie voor je auto, een taartrecept door te projecteren welke ingrediënten je wanneer moet gebruiken (augmented reality) en een mogelijke vakantiebestemming als ervaring (virtual reality). Het internet zelf wordt vooral een bot-to-bot netwerk.

Klinkt mooi, maar zo’n toekomstbeeld roept ook veel vragen op. Over security en technische consequenties (het dataverkeer zal waarschijnlijk exponentieel groeien door bot-to-bot interactie), om maar eens wat te noemen. Over de impact op beroepen als webdesigner en online marketeer. Of over de nieuwe online machtsverhoudingen. Maar één ding is zeker: bedrijven die verder kijken dan apps en self service en als eerste gaan experimenteren met bots en nieuwe interfaces als voice en augmented/virtual reality, hebben de grootste kans om relevant te blijven.

Quantum risk

Techbedrijven (Google, Microsoft, IBM) en universiteiten (waaronder Delft) zijn druk bezig met de ontwikkeling van een quantum computer. De rekenkracht van zo’n nieuw soort computer is fenomenaal: op basis van schattingen van Google honderd miljoen keer groter dan de computers die we nu gebruiken. Zo’n enorme rekenkracht heeft grote voordelen, bijvoorbeeld voor het genezen van ziektes. De quantum computer is een zeldzaam voorbeeld van een echte doorbraak innovatie. De meeste innovaties zijn een stapsgewijze verbetering van een bestaande technologie. Omdat het verschil tussen nieuw en oud beperkt is, wordt die laatste niet meteen waardeloos. De quantum computer is echter een ongekende sprong voorwaarts, waar bestaande technologie in het geheel niet mee kan concurreren. En dat leidt tot uitdagingen waar we nauwelijks ervaring mee hebben.

Voor een quantum computer is het bijvoorbeeld een koud kunstje om onze wachtwoorden en beveiligingscodes te kraken. Niet alleen van je Facebook account, ook die van de app van je bank of een bitcoin wallet. Dat is nogal wat, als je hele online bestaan ineens onbeschermd is. Om de grootste paniek meteen weer weg te nemen: het duurt nog wel even (10 jaar? 15 jaar?) voordat die quantum computer het laboratorium ontgroeit. En er wordt momenteel ook al gewerkt aan nieuwe encryptie en beveiligingscodes die zo complex zijn, dat ze zelfs door een quantum computer niet gekraakt kunnen worden. Maar het is de vraag of dat laatste snel genoeg gaat. En of die nieuwe beveiligingstechnologie wel voor iedereen beschikbaar is zodra de eerste quantum computer operationeel wordt.

Stel dat de ontwikkeling of uitrol van de nieuwe beveiligingstechnologie niet snel genoeg gaat, dan ontstaat er straks een enorme ongelijkheid tussen mensen die de beschikking hebben over de eerste echte quantum computer en zij die dat niet hebben. De eerste groep is dan in staat om toegang te krijgen tot alle online gegevens van de tweede groep en kan daarmee in feite doen wat zij wil.

Moeten we dit accepteren? Of moet de overheid hier een vrij unieke ingreep doen en de toepassing van deze innovatie aan banden leggen? En als we dat al willen, kán de overheid dat eigenlijk wel? Is daar geen (vrijwel onmogelijk te organiseren) wereldwijde samenwerking voor nodig? Of is het mogelijk om ervoor te zorgen dat iedereen tegelijkertijd toegang krijgt tot een quantum computer? Of moeten we op tijd onze online activiteiten voor de zekerheid maar weer offline gaan organiseren?

Deze vragen zijn zo ingewikkeld dat een periode van 10 of 15 jaar om erover na te denken en tot een oplossing te komen, helemaal niet zo lang is.

Ongemakkelijke solidariteit

Pensioenen staan onder druk. Overheden verhogen de pensioenleeftijd omdat mensen steeds ouder worden. Tegelijk laten pensioenfondsen pensioenrechten minder stijgen dan de inflatie. Waarbij van mooie regelingen uit het verleden, zoals de eindloonregeling, vroegpensioen (VUT) en waarde garanties, allang geen sprake meer is. Gepensioneerden en bijna-gepensioneerden zijn daar natuurlijk niet blij mee. En daarom oefenen ze druk uit om hun pensioen op peil te houden. Maar wie gaat dat betalen? Als het de ouderen niet zijn, dan hoogstwaarschijnlijk de jongeren. Die zijn als het om pensioenen gaat bovendien een gemakkelijke prooi, omdat ze daar nog nauwelijks mee bezig zijn.

Jonge mensen hebben het echter zelf ook niet eenvoudig. De zekerheid van een vaste baan kennen zij nauwelijks meer. Veel jongeren leven in een wereld van nulurencontracten en tijdelijke baantjes, vaak als ZZP’er waarbij ze helemaal geen pensioen opbouwen. Hun inkomen staat vaak in geen verhouding tot wat ouderen verdienen of als pensioen ontvangen. Omdat ze op een ander moment zijn geboren, profiteren ze niet mee van de rechten die ouderen hebben opgebouwd en verworven. En via de zorgverzekering betalen ze onder het mom van solidariteit flink mee aan de veel hogere medische kosten van ouderen.

Wie moet nu wie helpen? De jongeren de ouderen of omgekeerd? Als er door structurele demografische en technologische factoren een eerdere verwachting niet haalbaar blijkt, dan is het niet eerlijk om de rekening daarvoor bij één bepaalde groep te leggen. Ouderen zullen eraan moeten wennen dat hun pensioenen lager zijn dan verwacht, jongeren zullen moeten accepteren dat hun carrièreperspectief minder mooi is dan dat van hun ouders vroeger. En laten we hopen dat over veertig jaar de zorgkosten van de jongeren van nu kunnen worden betaald door de generatie van hun kinderen.

Smart countryside

Hoe we onze ruimte indelen, hangt af van hoe we leven. En een belangrijk onderdeel van ons leven is de manier waarop wij werken. Tot nu toe is werk plaatsgebonden en die plaats is in veel gevallen een stad. Want handel en industrie hebben goede aansluitingen nodig op havens, snelwegen, vliegvelden en spoor. En als ze daar eenmaal gevestigd zijn, komt er een zichzelf versterkende spiraal op gang. Industrie, die vaak kapitaalintensief en daardoor grootschalig is, betekent veel werkgelegenheid en dat trekt mensen aan. En daardoor wordt nieuwe dienstverlening aangetrokken, wat tot nog meer werkgelegenheid en bevolkingsgroei in de stad leidt. Zeker wanneer er tegelijkertijd in de landbouw door mechanisatie steeds minder mensen nodig zijn.

Maar wat betekent dat voor de toekomst? Is het te verwachten dat de verstedelijking doorzet? Veel innovators en futuristen gaan er impliciet vanuit dat de techniek wel verandert, maar de maatschappelijke context niet. Zo zijn nieuwe transportmiddelen als de hyperloop, concepten als smart city (het organiseren van grote steden met behulp van data en internet of things-oplossingen) en technieken als verticale landbouw allemaal gebaseerd op het impliciete idee dat de stad de toekomst blijft.

Maar is dat ook zo? Want het wordt steeds gemakkelijker om met een snelle internetverbinding vanuit huis te werken. En ook de mogelijkheden van lokale productie worden groter. 3D-printing maakt het mogelijk spullen ‘on demand’ te maken en dienstverlening (zelfs gezondheidszorg!) kan in toenemende mate op afstand worden uitgevoerd. We hoeven steeds minder voor ons werk in de stad te wonen. En misschien vinden we de kwaliteit van leven op het platteland wel beter. Kleinschalig wonen in een gemeenschap van mensen die je persoonlijk kent, lokale productie, dichtbij de natuur en toch volledig aangesloten op alles wat er in de wereld gebeurt.

Ik verwacht niet dat de steden binnen afzienbare tijd zullen leeglopen, maar wel dat er een tegenbeweging ontstaat. Er is ruimte voor een opleving van het platteland en lokale productie. Laten we daarom niet alleen nadenken over smart city, maar vooral ook over smart countryside.

Natuurbescherming, waarom?


Veel mensen maken zich zorgen dat de natuur wordt bedreigd. Dat oerwoud wordt gekapt, de zee verandert in plastic soep en diersoorten uitsterven. Maar waarom vinden we dat eigenlijk erg? Er zijn verschillende impliciete motivaties voor, die echter tot hele andere manieren kunnen leiden om de natuur te beschermen.

De natuur als doel op zich
Sommige mensen zien de waarde van de natuur in het grote, alles omspannende systeem. Zij willen de natuur zoveel mogelijk in haar oorspronkelijke staat behouden. De mens zou moeten fungeren als een onderdeel van het ecosysteem, en zoals alle organismen geven en nemen zonder het systeem zelf uit evenwicht te brengen. Mensen met deze opvatting hechten meer waarde aan een oerbos dan een door de mens aangelegd natuurgebied. Ze accepteren dat de natuur blind is voor de belangen van individuele dieren of mensen. Deze visie is vaak geworteld in een spiritueel gevoel dat alles met alles samenhangt en dat wij onlosmakelijk verbonden zijn met alles dat bestaat: de natuur of, zo je wilt, de kosmos. De mens staat niet boven de natuur, maar is er onderdeel van. Deze opvatting vertaalt zich in ontzag en respect voor de natuur zoals die is. En vanuit dat respect moet de mens de natuur niet verstoren, laat staan kapot maken.

Het gaat om het leven
Een visie die hier op het eerste gezicht op lijkt, is nadruk leggen op de waarde van leven. Mensen die deze overtuiging aanhangen, vinden echter niet zozeer de natuur als systeem van belang, maar in de eerste plaats de wezens die erin leven. Waarbij ‘hogere’ organismen, zoals zoogdieren vaak als waardevoller worden gezien dan bijvoorbeeld insecten of planten. Dit zijn de mensen die het eigenlijk niet over hun hart verkrijgen dat wilde paarden verhongeren in de Oostvaardersplassen, hoe ‘natuurlijk’ dat ook mag zijn. Maar die anderzijds niet wakker liggen van het uitsterven van onbekende plantensoorten. En voor wie er geen principieel verschil bestaat tussen ‘echte’ en gemaakte natuur. Waarom? Het antwoord is empathie. Vanuit de evolutie willen we niet alleen ons eigen belang dienen, maar ook dat van de groep. Daarom heeft de natuur ervoor gezorgd dat we ons kunnen inleven in de gevoelens van anderen. Niet alleen in die van mensen, maar ook in die van dieren waarvan we de emoties herkennen. Hoe minder we ons met een dier kunnen identificeren, hoe minder empathie we ervoor voelen. Hoe het met een vlieg gaat kan ons daarom eigenlijk niets schelen. Dat heeft niets te maken een objectief waardeverschil tussen het leven van een vlieg of dat van een paard. Het zegt alleen iets over onszelf.

Welzijn van de mens
Een derde benadering is om de natuur te willen beschermen omdat dat in het voordeel is van de mens. Een ecosysteem als de Amazone is een schatkamer van potentiële medicijnen. Overbevissing nu leidt tot honger straks. CO2-uitstoot brengt klimaatrisico’s met zich mee die de bestaanszekerheid van miljarden mensen bedreigen.  En daarom, zo vinden veel mensen, moeten we de natuur beschermen. Ons welzijn hangt ervan af. Vanuit menselijk nut bezien, is er echter niets tegen legbatterijen. En de wens om de groeiende wereldbevolking te voeden, kan een reden zijn om bos te veranderen in landbouwgrond. De mens is het doel, de natuur is een middel. En in die zin niet anders dan technologie.

Drie visies, drie motivaties om de natuur te beschermen. Vaak lopen ze door elkaar in de oordeelsvorming van mensen. Nu de impact van het menselijk handelen op de natuur echter groter wordt dan ooit (denk aan het klimaat, maar ook aan genetische manipulatie) kunnen de drie visies wel tot hele andere beslissingen leiden over hoe om te gaan met de natuur. Moet alles zoveel mogelijk ongerept worden gelaten, moeten we vooral rekening houden met nu levende dieren of moeten we kijken vanuit het menselijk belang? En als alle drie de visies relevant zijn, hoe komen we dan tot een balans? Zolang we niet goed weten WAAROM we de natuur willen beschermen, weten we eigenlijk ook niet goed HOE we dat moeten aanpakken…